Vraag om uitleg over de tegenstelling in de visie van de Vlaamse overheid en federaal minister Onkelinx omtrent de opvang van geïnterneerden

Mevrouw Helga Stevens: Mevrouw de minister, geïnterneerden van wie men denkt dat ze een middelmatig of hoog risico lopen op recidive, worden uit de maatschappij verwijderd. Het is echter heel bizar dat er geen precieze cijfers zijn over het juiste aantal geïnterneerden.


Deze geïnterneerden worden vaak opgesloten terwijl de nadruk zou moeten liggen op de medisch-psychiatrische behandeling. Een gewone opsluiting is symptoombestrijding. Dan laat men na enkele jaren gewoon een tijdbom vrij. Contacten met de sector hebben me geleerd dat lange opsluiting van een geestesgestoorde delinquent zonder enige vorm van therapie geen neutrale periode is. Dat heeft nefaste gevolgen voor de geestestoestand van de betrokkene. België werd hiervoor meermaals veroordeeld en reeds jarenlang wordt over dit probleem gepalaverd. Het dossier krijgt er nu nog een negatieve wending bij. Vorige maandag vernam ik dat de minister van Justitie, mevrouw Onkelinx, die bevoegd is voor de bewaking, de budgetten opnieuw terugschroeft. Hierdoor komen minstens drie Vlaamse projecten in de problemen. Na een betoging van de sector bleek dat de minister bij haar standpunt blijft.


Het belangrijkste probleem is dat geïnterneerden nauwelijks of niet worden behandeld. Op de superministerraad van 30 en 31 maart 2004 kondigde de paarse federale regering met veel poeha aan dat er een nieuwe instelling voor geïnterneerden zou worden gebouwd in Antwerpen. De investering in Vlaanderen is prioritair aangezien de situatie in Wallonië veel minder dramatisch is. Deze instelling, aldus minister Onkelinx, zou zo’n 300 tot 400 plaatsen bieden aan geïnterneerden. De N-VA heeft onmiddellijk geprotesteerd tegen deze plannen, Zowel de Vlaamse Gezondheidsraad, de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen als Netwerk Internering zien niets in één mastodontinstelling.


Voor de hogerisicogeïnterneerden zou in Vlaanderen een speciale instelling, zoals die door minister Onkelinx werd omschreven, met een capaciteit van 200 plaatsen volstaan.


Het voorstel van minister Onkelinx gaat niet ver genoeg. Uit studies en artikelen over deze problematiek blijkt dat niet alleen de situatie van de geïnterneerden die in de gevangenis verblijven, zorgwekkend is. De meeste instellingen van sociaal verweer zouden slechts veredelde gevangenissen zijn. Dit zijn de woorden van Henri Heimans en Patricia Brad, respectievelijk kamervoorzitter en raadsheer aan het hof van beroep te Gent, en beiden ook voorzitter van de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij in de gevangenis van Gent.


Het is duidelijk dat de federale regering faalt op alle vlakken. Begin 2006 zijn de werken nog niet gestart en zijn er nauwelijks concrete plannen. Er is zelfs nog geen locatie bekendgemaakt. Bovendien blijft minister Onkelinx bij haar visie, tegen de wil van Vlaanderen in.


Mevrouw de minister, reeds in mei 2005 heb ik u hierover een vraag om uitleg gesteld. U antwoordde toen dat er nog geen overleg had plaatsgevonden omdat minister Onkelinx wilde wachten op het rapport van de werkgroep onder leiding van professor Cosyns. Die werkgroep moest zich buigen over het specifieke statuut van de geïnterneerden en moest een aanvaardbare oplossing voorstellen voor de financiering van aangepaste behandelingen.


U stelde wel uitdrukkelijk dat u het standpunt van de Vlaamse Gezondheidsraad zou bijtreden. Intussen is het rapport er, maar de belangrijkste conclusies worden nog steeds opzijgeschoven. Blijkbaar deelt minister Onkelinx uw standpunt over de hogerisicogroep niet, meer bepaald dat Volksgezondheid en niet Justitie zou moeten zorgen voor de financiering en extra beveiliging van deze ziekenhuizen.


Minister Onkelinx schroeft de investeringen nu eenzijdig terug, zonder dat wordt voorzien in een federaal of Vlaams alternatief. Net zoals minister Demotte deed met het dossier van de arbeidszorg, neemt opnieuw een Waalse federale minister een eenzijdige beslissing in het nadeel van Vlaanderen. Dat is ongehoord en onaanvaardbaar.


Mevrouw de minister, welke officiële stappen hebt u intussen ondernomen om het standpunt van de Vlaamse Regering over de geplande superinstelling en over de bevoegdheid te verdedigen bij federaal minister Onkelinx? Welke stappen overweegt u als minister Onkelinx haar plannen niet bijstelt? Moet de Vlaamse overheid ingrijpen op het veld? Het kan niet door de beugel dat de Vlaamse overheid hiertoe gedwongen wordt door eenzijdige beslissingen van de federale regering. Het gaat hier echter om mensen. De Vlaamse overheid mag hen niet zonder meer laten vallen.


Mevrouw de minister, overweegt u een uitbreiding van de ambulante zorgverstrekking door de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg naar de in een gevangenis verblijvende geïnterneerden? Kan de Vlaamse overheid initiatieven ontwikkelen om de mentaal gehandicapten die momenteel als geïnterneerde in een gevangenis verblijven en daar al dan niet door organisaties als Centrum OBRA worden opgevangen, op een volwaardige manier in de voor deze doelgroep geëigende voorzieningen in de gehandicaptensector op te vangen?


antwoord minister Vervotte op vragen Helga Stevens, Marijke Dillen en Vera Jans


Mijnheer de voorzitter, ik zal niet herhalen wat de vorige spreeksters al hebben gezegd. Blijkbaar is er een breed draagvlak voor onze visie. Dit is alvast een belangrijke vaststelling.


Het is uiteraard niet altijd even evident voor de Vlaamse overheid om voor de federale overheid in de bres te springen. Sommige beslissingen van de federale overheid hebben grote implicaties voor onze visie en voor de organisatie van ons welzijns- en gezondheidslandschap. Om die reden heb ik getracht de zaak op een constructieve manier aan te pakken. Ik heb een alternatief voorstel geformuleerd.


Dat alternatief voorstel van de Vlaamse overheid kost minder en houdt meer rekening met de expertise die in Vlaanderen is ontwikkeld. Ik heb dat voorstel op 29 september 2005 aan minister Onkelinx overgemaakt. Tijdens de gesprekken die sindsdien tussen onze kabinetten zijn gevoerd, is gebleken dat minister Onkelinx het Vlaamse voorstel op zijn waarde wil beoordelen, maar dat zij en minister Demotte eerst nog een aantal bekommernissen over de financiering moeten uitpraten.


De Vlaamse overheid wil niet naar een gecentraliseerde opvang evolueren. Het is steeds onze visie geweest om waar mogelijk voor een reguliere, gemeenschappelijke aanpak en waar nodig voor een specifieke, afzonderlijke aanpak te kiezen. Hierbij moeten we uiteraard met een aantal basisprincipes rekening houden.


We willen het aanbod op grond van de noden opsplitsen. We zijn van mening dat deze noden gedifferentieerd zijn. Dit geldt voor de bescherming van de samenleving en voor de therapeutische begeleiding van de betrokken individuen. De opvang moet zich aanpassen aan of aansluiten bij de verschillende bestaande noden. Zoals ik daarnet al heb gezegd, betreffen die noden de bescherming van de samenleving en de noodzakelijke therapeutische gesprekken.


Indien we de noden opsplitsen, gaat het eigenlijk om drie groepen.


De eerste groep is de lageveiligheidsgroep. Momenteel wordt ongeveer een derde van de geïnterneerden op deze manier opgevangen. Deze groep moet in de ambulante geestelijke gezondheidszorg en in de klassieke opvang in voorzieningen worden geïntegreerd. We kunnen deze patiënten zorgtrajecten aanbieden en op dezelfde manier als niet-geïnterneerden begeleiden.


De tweede groep is de mediumveiligheidsgroep. Voor deze groep zijn afzonderlijke behandelings- en verblijfseenheden noodzakelijk. Deze geïnterneerden kunnen in het bestaande aanbod van de geestelijke gezondheidszorg terecht. De zorgvoorzieningen moeten dan natuurlijk wel over het nodige gekwalificeerde personeel beschikken. Bovendien moeten een aantal bijkomende maatregelen, zoals camerabeveiliging, worden genomen.


De derde groep is de hogeveiligheidsgroep. Iedereen erkent dat deze mensen niet vrij kunnen rondlopen. Ze vormen een gevaar voor de samenleving en voor zichzelf. Deze beperkte groep van gedetineerden kan moeilijk in de geestelijke gezondheidszorg worden opgevangen. Omwille van de delicten die ze hebben gepleegd en de kans dat ze kunnen hervallen, zouden ze binnen het klassieke aanbod een risico inhouden.


Ze horen daar dus niet thuis. Voor hen is een aparte en degelijke psychiatrische behandeling nodig en opvang in een voorziening met gesloten karakter.


Onze visie is dat het zorgaanbod opgebouwd moet worden vanuit een zorgtraject. De expertise die ontwikkeld is op het terrein, moet daarin worden meegenomen. Die visie is geresulteerd in een concreet voorstel tot de oprichting van één forensisch psychiatrisch centrum met maximaal 250 bedden voor de groep van geïnterneerden en patiënten met een hoog veiligheidsrisico. We baseren ons daarbij op de gegevens uit het rapport-Cosyns.


Een tweede element van het voorstel is de uitbreiding van de drie bestaande forensische psychiatrische afdelingen in Rekem, Bierbeek en Zelzate, waar er telkens 40 – de huidige capaciteit – tot 60 bedden noodzakelijk zijn. Hier komt de financiering van minister Demotte om de hoek kijken. Daarnaast denken we aan het creëren van nieuwe forensische psychiatrische afdelingen voor subdoelgroepen voor in het totaal 120 patiënten. Het betreft hier specifieke groepen, bijvoorbeeld seksueel delinquente geïnterneerden. Verder stellen we de uitbreiding voor van het reguliere residentiële aanbod voor geïnterneerden in psychiatrische ziekenhuizen, in beschut wonen of psychiatrische verzorgingstehuizen met minimaal 70 bedden of plaatsen, en de ondersteuning van het ambulante forensische zorgaanbod in de geestelijke gezondheidszorg en de Centra Algemeen Welzijnswerk.


We denken dat hiervoor een globaal plan noodzakelijk is. Er is behoefte aan een visie op hoe we die zorgtrajecten het best kunnen uitvoeren, en welke minister daarbij zijn verantwoordelijkheid moet opnemen. Het is evident dat zowel Justitie als Volksgezondheid op federaal niveau, en ook Volksgezondheid op Vlaams niveau omwille van het ambulante, moeten samenkomen en een bijdrage moeten leveren. We hebben daartoe, zoals al vermeld, op 29 september een plan voorgesteld aan de federale overheid.


De voordelen van een uitbouw op deze manier zijn veelvuldig. De beheersproblemen en de concentratie van risico’s in een mega-instelling vallen dan weg. We spreken ook altijd over gemeenschapsgerichte zorg. We proberen rehabilitatie en opvang in de samenleving waar het kan, te stimuleren. Dat kan veel beter in kleinschalige projecten. Het laat veel gemakkelijker toe de gevangeniscultuur af te schudden en te ruilen voor een behandelingscultuur. Geografische spreiding is hierbij een voordeel, omdat ze reïntegratie kan bevorderen.


Deze visie sluit ook aan bij wat er al bestaat in de praktijk. We mogen de bestaande expertise immers niet verloren laten gaan. Er kan dan ook een meer verscheiden en vollediger zorgaanbod organisatorisch uitgewerkt worden. Dat kan eventueel ook gestuurd worden door netwerking. Een bijkomend voordeel is dat de totale budgettaire kost lager ligt dan die van een mega-instelling, waarvoor tenslotte ook de risicobeheersing in rekening moet worden gebracht.


Intussen zijn er inderdaad overlegmomenten geweest. We hebben de brief verstuurd op 29 september, maar mevrouw Onkelinx wilde wachten op het rapport-Cosyns. We hebben dan in de eerste week van januari een overleg gehad, en opnieuw op 16 januari. Minister Onkelinx is bereid het veiligheidsaspect te financieren, maar ze verwacht ook dat minister Demotte de financiering van de ziekenhuisdiensten voor zijn rekening neemt. Dat lijkt ons logisch, maar het moet bij de federale overheid nog worden uitgediscussieerd.


Voor wat de ambulante zorg betreft, verwijs ik naar het antwoord dat ik al eerder heb gegeven. Voor geïnterneerden met een mentale handicap hebben we al een aantal stappen ondernomen. Over de problematiek van de aangekondigde federale besparingen in de drie psychiatrische ziekenhuizen is er geen overleg geweest. We hebben dat op dezelfde manier als u vernomen. We hebben als tegenzet echter duidelijk onze visie naar voren geschoven, en we zullen dit verder volgen. We hopen dan ook dat de gesprekken tussen minister Demotte en minister Onkelinx positief kunnen verlopen.


We zijn uiteraard bereid onze verantwoordelijkheid te nemen als dat past in een totaalvisie van zorgtrajecten. Het heeft geen enkele zin bevoegdheden van de federale overheid op Vlaams niveau in te vullen. Wel nemen we onze verantwoordelijkheid, zoals we al hebben gedaan in een aantal voorzieningen en met de gerealiseerde uitbreiding van het aantal plaatsen. We willen dat doen in een totaalpakket waarin zorgtrajecten worden aangeboden en waarin we het onderscheid kunnen maken tussen de drie verschillende groepen.


We moeten ook rekening houden met de nood aan voldoende wetenschappelijke screening, maar daarvoor is er de dag van vandaag voldoende materiaal voorhanden. Het is dus geen argument meer om in vraag te stellen of we wel voldoende in staat zijn om de opdeling te maken in groepen met laag, gemiddeld en hoog risico. We moeten daar voortdurend alert voor blijven, maar er bestaat wetenschappelijk screeningsmateriaal voor. We werken natuurlijk met mensen, en dat betekent dat er altijd wel een risico blijft, maar er is voldoende expertise om onze visie in Vlaanderen verder te implementeren.


Mevrouw Helga Stevens: Mevrouw de minister, ik vind het echt een schande dat minister Onkelinx dat spel durft te spelen, ten nadele van de mensen die geïnterneerd zijn. Minister Onkelinx moet eerst een akkoord hebben met minister Demotte, vooraleer de besparing kan worden doorgevoerd.


We worden hier opnieuw geconfronteerd met de grenzen van de bevoegdheden van het Vlaamse en het federale niveau. Mevrouw de minister, ik ben blij dat u probeert om alles zo goed mogelijk bij te sturen. Ik zal, samen met u, het dossier blijven volgen, want we kunnen niet aanvaarden dat minister Onkelinx het spel op deze manier blijft spelen.