Vraag om uitleg aan minister Vandeurzen over de drugshulpverlening bij personen met een licht verstandelijke handicap
Vraag om uitleg van
mevrouw Helga Stevens tot de heer Jo Vandeurzen, Vlaams
minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Gezin, over de moeilijke toegang tot
hulpverlening van
drugsgebruikers met een licht verstandelijke handicap
De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft
het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Voorzitter, minister,
collega’s, op woensdag 16 mei 2012 werd de
tweede editie van de
Antwerpse Monitor Jongeren, Alcohol en Drugs (AMJAD) voorgesteld.
Om het lokale
drugsbeleid te kunnen afstemmen op de reële noden laat de stad Antwerpen
tweejaarlijks een
drugsmonitor opstellen, die zich richt op gebruikers die deels verborgen
blijven voor de
bestaande registratiesystemen van politie, justitie en hulpverlening. Hieruit
bleek onder andere dat
ontradingscampagnes een groot aantal maatschappelijk kwetsbare
jongeren niet bereikt.
Verder is de meest
opvallende vaststelling dat de groeiende groep personen met een licht
verstandelijke handicap
die kampen met een drugsproblematiek aan hun lot wordt
overgelaten. Hulpverleners
komen deze moeilijk definieerbare groep meer en meer tegen en
op het veld weet men
niet precies hoe ermee om te gaan. Psychiatrische instellingen staan
niet te springen om deze
personen op te vangen. En ook de reguliere drugshulp is niet
evident. Door hun licht
verstandelijke handicap passen ze niet binnen de aanpak van de
reguliere
drugshulpverlening, waar wordt gewerkt met groepstherapie en zelfreflectie.
Voor het Vlaams
Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) is de handicap niet
zwaar genoeg om erkend
te worden, waardoor deze mensen geen toegang krijgen tot VAPHvoorzieningen.
Daarnaast is het ook een
feit dat veel voorzieningen in de gehandicaptenzorg
niet de expertise hebben
om met drugsgebruik om te gaan.
Met andere woorden,
drugsgebruikers met een licht verstandelijke handicap vallen overal uit
de boot, volgens de
onderzoekers. Daarbij komt nog dat de betrokkenen hun drugsgebruik
niet als problematisch,
maar juist als plezierig ervaren. Ze hebben ook geen inzicht in de
risico’s. Veelal beseffen
deze jongeren niet dat ze minder begaafd zijn en overschatten ze
zichzelf. Ze zien niet
in dat ze een probleem hebben en vragen daarom nauwelijks om hulp.
Professor Tom Decorte,
die aan het onderzoek in Antwerpen heeft meegewerkt, geeft enkele
aanbevelingen. Zo is er
nood aan een geïntegreerd drugsbeleid, waar verschillende sectoren
samenwerken. Nu kijken
de psychiatrie, jeugdhulp en gespecialiseerde drugscentra elk vanuit
hun eigen perspectief
naar deze jongeren. Er is te weinig continuïteit in de zorg. Er moet een
betere samenwerking
komen op het terrein.
Verder moet er meer
communicatie komen tussen de hulpverleners onderling, maar ook met
de gebruikers. Professor
Decorte pleit ervoor om van het ‘winkelmodel’ af te stappen, waar
de hulpverlener wacht op
de gebruiker en hem/haar dan verder helpt. De klemtoon moet meer
gelegd worden op een
proactief beleid op het terrein. Er moeten laagdrempelige initiatieven
komen waarmee men naar
deze jongeren kan gaan. Dat vergt uiteraard meer middelen.
Minister, hebt u kennis
genomen van dit onderzoek? Erkent u de problematiek die naar voren
gebracht wordt? Welke
visie hebt u op deze problematiek? Wat zult u binnen de eigen
bevoegdheden ondernemen
om deze problematiek aan te pakken? Hoe past u dit in binnen de
ontkokering van de zorg?
Gaat u akkoord met de aanbevelingen van professor Decorte?
Welke inspanningen zult
u doen om de diverse actoren samen te brengen zodat dit concreet
op het terrein kan
worden aangepakt gezien de kwetsbaarheid van jongeren/jongvolwassenen
met een licht
verstandelijke handicap? De AMJAD is vooral een kwalitatief onderzoek,
bijgevolg kan professor
Decorte niet zeggen hoe groot de groep jongeren met een licht
verstandelijke handicap
is. Is er binnen het VAPH en/of de jeugdzorg wel zicht op het aantal
jongeren met een licht
verstandelijke handicap? Veel van deze jongeren komen uit een problematische
opvoedingssituatie. Met oog op een goed onderbouwd en coherent beleid is
het belangrijk om over
volledige cijfergegevens te kunnen beschikken. Indien deze cijfers
niet beschikbaar zijn,
zult u dan het nodige doen om aan deze gegevens te komen?
De voorzitter: Mevrouw Jans heeft het
woord.
Mevrouw Vera Jans: Voorzitter, minister,
collega’s, ik vind deze vraag over licht
verstandelijk
gehandicapte jongeren zonder VAPH-erkenning heel interessant. Ik vraag me af
waar er middelen of
projecten voor hen zouden kunnen bestaan. Zijn er in het actieplan
Middelenmisbruik
projecten opgestart of is er in middelen voorzien voor deze specifieke
doelgroep zodat we expertise
kunnen ontwikkelen of expertise die er misschien al bestaat,
kunnen gebruiken?
De voorzitter: Mevrouw Dillen heeft
het woord.
Mevrouw Marijke Dillen: Voorzitter, minister,
collega’s, mijn vraag is gelijkaardig. De
problematiek over
drugsgebruik van personen met een licht verstandelijke handicap ken ik
zelf niet.
Ik ken wel het groeiende
probleem in de scholen van het buitengewoon onderwijs. Men weet
er goed hoe men daar met
deze moeilijke jongeren moet omgaan. Mevrouw Stevens verwijst
terecht naar het
onderzoek van professor Decorte en de aanbevelingen daarin. Ik ben vooral
benieuwd naar uw
antwoord over de precieze plaats van de jongeren in het actieplan.
De voorzitter: Minister Vandeurzen
heeft het woord.
Minister Jo Vandeurzen: Voorzitter, collega's,
het onderzoek en de geschetste problematiek
zijn mij bekend. Hoewel
deze jongeren volgens het onderzoek veelal verborgen blijven in de
registratiesystemen zijn
zij toch bij de verschillende vormen van hulp- en zorgverstrekking
gekend. Het zijn jongeren
die hun gebruik niet altijd als problematisch ervaren en de risico’s
ervan onvoldoende
inschatten. Het gaat ook vaak om maatschappelijk kwetsbare jongeren. En
uit dit rapport leer ik
ook dat het blijkbaar steeds meer gaat om jongeren met beperkte
verstandelijke
vaardigheden.
Ik neem tegelijk ook
kennis van het standpunt van professor Decorte dat ten aanzien van deze
groep van jongeren niet
altijd adequaat wordt gereageerd door de hulpverlening of de
zorgverstrekking,
bijvoorbeeld omdat zij cognitief niet altijd sterk genoeg staan om aan een
groepstherapie te
participeren of omdat ze onvoldoende zijn gemotiveerd zijn voor een
therapie. Te vaak lopen
hulpverlenende trajecten vast omdat in een al zeer complexe
hulpverleningscontext de
verslavingsproblemen escaleren. Ik ben mij ook terdege bewust van
het bestaan van sommige
‘gaten’ in het netwerk van de hulp- en zorgverstrekking, waardoor
deze doelgroep niet
altijd meteen en op voldoende continuë wijze wordt geholpen. Ik ben dan
ook van plan om de
resultaten van het onderzoek nog verder te laten analyseren om de aard
en de omvang van de
problematiek nog beter te kennen.
Er lopen sinds geruime
tijd meerdere initiatieven gericht op deze doelgroep. Onder meer naar
aanleiding van de
publicatie van de eerste Antwerpse Monitor Jongeren, Alcohol en Drugs, in
juni 2010, nam ik
verschillende initiatieven. Zo werd het probleem van personen met een
mentale handicap met een
drugsproblematiek aangekaart in een werkgroep van
jongvolwassenen van het
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH).
Ook in het Agentschap
Jongerenwelzijn lopen sinds 2010 – en tot eind 2012 – een vijftal
projecten die gerichte
inspanningen leveren om een gepast aanbod te ontwikkelen voor
jongeren met een
drugsgerelateerd probleem.
In het Agentschap Zorg
en Gezondheid loopt van 2010 tot 2012 het project ‘Optimalisatie
van de zorg voor mensen
met een verstandelijke beperking en een verslavingsprobleem’. De
Vereniging voor Alcohol-
en andere Drugproblemen (VAD) heeft de afgelopen jaren
methodieken en
materialen ontwikkeld voor de doelgroep van mensen met een verstandelijke
beperking. Die
informatie is terug te vinden op de site van de VAD. Mijn bezorgdheid gaat,
niettegenstaande deze ontwikkelingen en initiatieven, blijvend uit naar die
jongeren die de
hulpverlening niet
bereiken en voor wie dus geen gepast aanbod kan worden georganiseerd.
Het is duidelijk dat
voor een gedegen aanpak van deze problemen de deskundigheid van
verschillende sectoren
zal moeten worden gebundeld. Er is nood aan een globaal beleid. Ik
zal in eerste instantie,
nog dit jaar, in overleg met de sector een inventaris opmaken van de
uitdagingen, hierbij
rekening houdend met het feit dat ten gevolge van de staatshervorming
een aantal aspecten van
de drugshulpverlening, zoals de revalidatie-overeenkomsten en
dergelijke, naar de
gemeenschappen worden overgeheveld. Ik zal daarbij uiteraard rekening
houden met de
aanbevelingen van de onderzoeker, professor Decorte.
Er is gevraagd of het
VAPH over cijfers beschikt. Die cijfers zijn op dit ogenblik nog niet
beschikbaar. Het is
evenwel mijn bedoeling om in de toekomst beschikbare cijfergegevens uit
verschillende sectoren
in mijn beleidsdomein bij elkaar te brengen, waardoor onze kennis
over deze problematiek
zal toenemen. Het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van
het beleidsdomein doet
daar op dit ogenblik al verder onderzoek naar. En opnieuw in het
kader van de integrale
jeugdhulp zullen we met het elektronisch cliëntendossier de basis
leggen voor meer
informatie over de aard van de gemelde problematieken in de nietrechtstreeks
toegankelijke jeugdhulp
en vooral voor de aard van en het traject in het
hulpaanbod dat we
intersectoraal aan de jongere en zijn omgeving kunnen aanbieden.
Wat de bijkomende vragen
betreft, is het zo dat het onderzoek ons heeft gesterkt in de
overtuiging dat wij in
onze drugshulpverlening specifieke aandacht voor deze groep
bewaken. In dat verband
hebben wij al zeer concrete initiatieven genomen om deze personen
en de competenties ter
zake op elkaar af te stemmen. Het is wel duidelijk dat in het
toekomstige drugsbeleid
– gaande van de preventie tot en met de gespecialiseerde
hulpverlening –
bijzondere aandacht moet uitgaan naar deze groep. Wij bereiden dat voor.
Mevrouw Helga Stevens: Minister, ik dank u voor
het antwoord, maar ik ben er wel niet
echt wijzer van
geworden. Ik blijf wat op mijn honger zitten. U zegt dat de vorige jaren een
aantal initiatieven zijn
genomen, naar aanleiding van de Antwerpse monitor. Eerlijk gezegd
zie ik niet echt een
structurele aanpak. U bent ermee bezig. Het wordt hoog tijd om eerst en
vooral een goed zicht te
krijgen op de omvang van de risicogroep. Uit de huidige monitor
blijkt dat ook mensen
met een licht verstandelijke handicap een kwetsbare groep vormen.
Vooral personen met
malafide bedoelingen durven daarvan misbruik te maken. Zo komen zij
met drugs in aanraking
of, erger nog, worden zij in criminele circuits ingezet, want zij kunnen
niet zo gemakkelijk
worden veroordeeld. Vooreerst moeten wij het probleem goed in kaart
brengen en hen
beschermen. Het is niet gemakkelijk, maar beleid begint met cijfers. Ik roep
dus op om daar zo snel
mogelijk werk van te maken.
Mevrouw Marijke Dillen: Minister, u zei
duidelijk dat u zich bewust bent van een aantal
‘gaten’ in het hulpverleningsnetwerk
en dat u de resultaten van het onderzoek zult laten
analyseren. Is daartoe
als een opdracht gegeven? En wanneer mogen wij resultaten
verwachten?
Minister Jo Vandeurzen: Op de site van de VAD
worden de thema’s hoe deze personen met
een lichte of ernstige
mentale handicap en de drugsverleningscompententies op elkaar kunnen
worden afgestemd en hoe
men de drugshulpverleners het inzicht kan bijbrengen dat men die
mensen anders moet
benaderen, behandeld. Ten dele is men daar dus al mee bezig. Op die
site staat er een luik
‘VAD en gehandicaptenbeleid’, met verwijzingen naar materiaal ten
behoeve van die
specifieke doelgroep. Ik was toevallig in een medisch-sociaal
opvangcentrum (MSOC)
toen er cursussen aan hulpverleners werden gegeven die hun moeten
toestaan om mensen met
een mentale beperking beter te begeleiden.
Wij zullen het
drugsbeleid evalueren – ook omdat wij meer bevoegdheden zullen krijgen –,
en op dat moment zullen
wij nagaan hoe wij de hulpverlening voor deze mensen kunnen
aanscherpen. Ten slotte
zijn wij bezig met het inzamelen van de cijfers. Dat is geen eenvoudige
zaak.
Integrale Jeugdhulp zal ons daarbij moeten helpen. Dat wordt allemaal
voorbereid, en u mag
verwachten dat in de beleidsbrief van volgend jaar daarover wat meer
duidelijkheid zal worden
verschaft. Het is een belangrijk thema. Wij weten dat dit een heel
kwetsbare groep is, en
daarom zou het jammer zijn dat de indruk zou ontstaan dat voor hen
niets wordt gedaan.
De
voorzitter:
De vraag om uitleg is afgehandeld.