Vraag om uitleg aan minister Crevits over het proefproject van De Lijn in Beringen voor personen met een handicap
Vraag om uitleg van de heer Kris Van Dijck tot mevrouw
Hilde Crevits, Vlaams
minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over de
communicatie van De Lijn
Vraag om uitleg van de heer Chokri Mahassine tot mevrouw
Hilde Crevits, Vlaams
minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over het
stopzetten van het proefproject
van De Lijn voor personen met een handicap in de regio
Mol-Leopoldsburg
Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens tot mevrouw Hilde
Crevits, Vlaams
minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over het
proefproject van De Lijn voor
rolstoelgebruikers in Beringen
De voorzitter: De heer
Van Dijck heeft het woord.
De heer Kris Van Dijck:
Voorzitter, minister, collega’s, als gast in deze commissie is het
zeker niet mijn bedoeling om een debat te voeren of vragen
te stellen over de keuzes die De
Lijn maakt in haar besparingen. Ik ga ervan uit dat De Lijn
in alle wijsheid beslissingen
neemt. De reden waarom ik u een aantal vragen wil stellen,
is dat ik vind dat de
communicatie van De Lijn over het stopzetten van een
project mank is gelopen. Minister, ik
wil graag weten hoe u als bevoegd minister, onder wier
verantwoordelijkheid De Lijn valt –
want De Lijn is wel een extern verzelfstandigd agentschap
(EVA) –, betrokken bent geweest.
Bij het deur-tot-deurproject van De Lijn zijn ook andere
diensten voor aangepast vervoer
betrokken om minder mobiele mensen gepast vervoer aan te
bieden. Ik weet dat mensen nog
tot 29 februari een aanvraag deden, maar geen antwoord
kregen. Iemand kreeg boudweg een
mail dat het project is stopgezet. Bij problemen kan men
zich wenden tot een 070-nummer
dat De Lijn toebehoort of men kan zich ook rechtstreeks
wenden tot minister Crevits:
kabinet.crevits@vlaanderen.be.
Minister, bent u gepromoveerd tot de ombudsdienst van De
Lijn die klachtenbehandeling doet? Mijn aanvoelen is dat
dit geen gepaste communicatie is.
Dit getuigt volgens mij van een zekere ‘frustratie’ –
misschien een zwaar woord – van de
mensen die een antwoord sturen en die zeggen dat het de
schuld van de minister is.
Los daarvan heb ik een aantal inhoudelijke bemerkingen,
niet met de bedoeling om een debat
aan te zwengelen over waar wel of niet kan worden bespaard.
In de mail staat expliciet dat
het project niet langer kan voor mensen die zich
verplaatsen om medische redenen – naar de
dokter of de kine gaan – maar voor sociale contacten kan
het wel. “Als je op café wil gaan,
kan het wel. Als je naar de doktoor wil gaan, kan het
niet”, zegt men in de Kempen. Wat
moet ik verstaan onder: “Het kan wel voor sociale
contacten?” Wat is daar de betekenis van?
In het schrijven staat ook letterlijk: “Uw gemeente, zij
gingen het project opvolgen en
overnemen”. Iemand vroeg mij of ik als burgemeester daarvan
op de hoogte was. Het lijkt mij
vreemd dat een gemeente van niets weet, maar dat men zo’n
antwoord naar burgers stuurt.
De voorzitter: De heer
Mahassine heeft het woord.
De heer Chokri Mahassine:
Voorzitter, minister, collega’s, mijn vraag gaat over dezelfde
problematiek.
Sinds enkele jaren loopt in de regio Mol-Leopoldsburg een
proefproject van De Lijn waarbij
personen met een handicap gebruik kunnen maken van vervoer
van deur tot deur. Zij kunnen
na reservatie via De Lijn met een aangepast voertuig
vervoerd worden naar de ziekenhuizen,
steden en dergelijke in de omgeving. De gebruikers moeten
uiteraard voldoen aan bepaalde
voorwaarden inzake handicap, onder meer een attest hebben
van de Federale Overheidsdienst
Sociale Zekerheid. De gemeenten en de gebruikers
hebben vorige week een brief ontvangen waarin wordt
gemeld
dat het proefproject vanaf 1 augustus 2012 wordt stopgezet en dat al sedert 1
maart de
dienstverlening
geleidelijk wordt afgebouwd. Dat is bijzonder jammer, omdat de zwakste
groep
in onze samenleving daarmee wordt getroffen. Mensen die zich net het moeilijkst
kunnen
verplaatsen, moeten een andere oplossing zoeken, die wellicht veel duurder zal
uitvallen.
Wat
zijn de resultaten van het proefproject tot op heden? Hoe wordt het
geëvalueerd? Om
welke
redenen wordt het proefproject stopgezet? Is het louter omwille van budgettaire
redenen?
De Dienst Aangepast Vervoer (DAV) is vrij snel uit het project gestapt. Wat is
de
reden
daarvoor?
Hoeveel
mensen maken gebruik van het proefproject per dag, op jaarbasis, per gemeente?
Ik
heb
daar in 2010 al eens een schriftelijke vraag over gesteld, maar misschien zijn
er intussen
al
recentere cijfers. Wordt het proefproject volledig stopgezet? Hoe ziet het
alternatief eruit?
Wat
houden de overgangsmaatregelen in? Op welke manier garandeert u openbaar vervoer
voor
degenen die zich het moeilijkst kunnen verplaatsen?
De
voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw
Helga Stevens: Minister, in 2007 heeft De Lijn onder impuls van uw
voorganger
een
speciale service opgestart in het kader van een proefproject in de gemeenten
Mol, Balen,
Geel,
Meerhout, Dessel, Leopoldsburg, Ham, Beringen, Hechtel-Eksel, Lommel en
Overpelt.
Het
doel was het verbeteren van de vervoersmogelijkheden van personen met een
handicap,
zowel
via het beter toegankelijk maken van het aanbod van De Lijn als door het
inzetten van
aangepaste
vervoersmiddelen. De Diensten Aangepast Vervoer stapten echter al snel uit het
proefproject,
waarna De Lijn de uitgebouwde service heeft voortgezet tot op heden.
Zoals
elk proefproject werd ook dit project grondig geëvalueerd door de
initiatiefnemers. De
vaste
gebruikers tonen zich tevreden over de geboden service. Toch blijkt uit de
evaluatie dat
het
project in zijn huidige vorm niet voldoet, omdat de service een grote
financiële
inspanning
vraagt van De Lijn. De bedoeling was dat de service na een positieve evaluatie
zou
worden uitgerold over heel Vlaanderen. De eindconclusie is evenwel dat het niet
haalbaar
is
het deur-tot-deursysteem over heel Vlaanderen op die manier uit te breiden.
Daarom werd
beslist
om het proefproject in zijn huidige vorm uiterlijk op 1 augustus 2012 stop te
zetten.
Op 1
maart 2012 is een overgangsfase ingegaan.
Ik
wil hier ook even verwijzen naar een artikel in Het Nieuwsblad van 21 maart
2012, waarin
een
woordvoerder van De Lijn zegt: “De Lijn moet besparen en vervoer van personen
met
een
handicap behoort niet tot onze kerntaken.” Ik neem daar akte van, maar wij
kunnen niet
akkoord
gaan met dergelijke uitspraken.
Minister,
om een alternatief aan te bieden, zal nu op uw vraag een consortium een nieuw
systeem
uitwerken. Indien rolstoelgebruikers of personen met een handicap gebruik
willen
maken
van het normaal voorziene aanbod van De Lijn, maar dat niet kunnen omdat bussen
of
haltes
nog niet voldoende toegankelijk zijn, dan stuurt De Lijn, mits reservatie en
onder
bepaalde
voorwaarden, een aangepast busje uit voor verplaatsingen van halte tot halte.
In
bepaalde
gevallen kan zelfs vervoer van deur tot deur worden geregeld.
De
service, zoals geconcipieerd voor het proefproject dat zal worden stopgezet,
zou een te
grote
financiële inspanning vragen van De Lijn. Wat is de meerprijs van die service
in
vergelijking
met het reguliere aanbod van De Lijn? Op basis waarvan werd geoordeeld dat de
service
een te grote financiële inspanning betekent voor De Lijn? Wat is of was het
aandeel
van
de service in het globale budget van De Lijn?
Werd
er bij de evaluatie van het proefproject ook bekeken in welke mate er een
wisselwerking
kon ontstaan tussen De Lijn en de Diensten Aangepast Vervoer? Ik vermoed van
niet,
want de DAV is er al heel snel uitgestapt. Om welke reden is de DAV uit
het
proefproject
gestapt?
Om
welk consortium gaat het? Hoe werd dat geselecteerd of samengesteld? Zal De
Lijn zelf
ook
deel uitmaken van dat consortium?
Hoe
lang op voorhand dient er gereserveerd te worden? Onder welke voorwaarden zal
De
Lijn
een aangepast busje uitsturen voor verplaatsingen van halte tot halte? Wat zijn
de criteria
om te
bepalen of vervoer van deur tot deur geregeld kan worden door De Lijn?
Waarom
werd beslist om bijkomende beperkingen op te leggen? Enkel rolstoelgebruikers
kunnen
immers gebruikmaken van de service, de afstand mag maximaal 12,9 kilometer
bedragen
en het systeem kan enkel nog voor sociale verplaatsingen worden gebruikt en
niet
om
medische redenen zoals doktersbezoek, ziekenhuisbezoek of raadplegingen bij de
kinesist.
Hoe zal bepaald worden of een verplaatsing al dan niet medisch of sociaal is?
Voor
heel
veel mensen, zeker mensen met een mobiliteitsbeperking, is een bezoek aan het
ziekenhuis
of de dokter al een vorm van sociaal contact. Dat betekent dus dat het ook
onder
de
sociale categorie kan vallen.
Waarom
werd beslist om een nieuw proefproject voor rolstoelgebruikers op te starten?
Hoelang
zal dat proefproject duren? Wat is de bedoeling ervan? Hoe zal het project
worden
geëvalueerd
en door wie? Zullen de rolstoelgebruikers ook betrokken worden bij de
evaluatie?
Wat is de kostprijs van het proefproject? Hoe zal dit project worden
gefinancierd?
Wat
zou het kosten om deze service over heel Vlaanderen aan te bieden? Wat zou het
hypothetische
aandeel hiervan zijn binnen het globale budget van De Lijn?
De
voorzitter: Mevrouw Brouwers heeft het woord.
Mevrouw
Karin Brouwers: Ik spreek me niet uit over de communicatie van De Lijn of
van
wie
ook. Het lijkt me ook bizar dat er op die manier werd gecommuniceerd. Ik wil
hier wel
een
algemene bedenking maken.
Het
ging hier om een proefproject, terwijl er ook andere proefprojecten lopen in
Vlaanderen.
Ik
kan het voorbeeld geven van Leuven, dat minstens zo efficiënt werkt en veel
goedkoper is.
Ik
hoor hier collega’s pleiten dat De Lijn deur-tot-deurverplaatsingen zou moeten
organiseren
voor
mensen met een handicap. Mevrouw Stevens ging meer in die richting. Ik sta daar
niet
achter.
De corebusiness van De Lijn is in de eerste plaats
halte-tot-halteverplaatsingen te
garanderen
voor de mensen. Er moet uiteraard ook rekening worden gehouden met mensen
met
een handicap. Men is ook volop bezig met het aanpassen van de haltes en de
bussen.
Voor
wie het dan toch nog te moeilijk heeft en echt een deur-tot-deurverplaatsing
nodig heeft,
zijn
er andere goedkopere mogelijkheden. Ik heb me laten vertellen dat het
proefproject in de
Kempen
initieel 450.000 euro kreeg vanuit Vlaanderen. Toen die DAV’s wegvielen – het
is
misschien
goed om eens te zeggen waarom ze niet verder aan het project hebben
deelgenomen
–, heeft De Lijn dat toch willen voortzetten en ze heeft taxi’s ingezet. Het
resultaat
is dat De Lijn in Limburg 550.000 euro heeft moeten opleggen. Tel die twee samen,
dan
kom je aan 1,1 miljoen euro. Dat is ongeveer het budget dat alle DAV’s in
Vlaanderen
van
de minister krijgen. Dat is niet meer betaalbaar. Het proefproject heeft gewoon
bewezen
dat
het niet goed werkte en dat het geen kerntaak is van De Lijn. Ik hoop dat een
ander
proefproject,
meer op de leest geschoeid van het Leuvense project, in de plaats kan komen.
Misschien
zijn er nog betere voorbeelden. Dat is dan aan de minister.
De
voorzitter: Minister Crevits heeft het woord.
Minister
Hilde Crevits: Ik zal proberen wat duiding te geven. De voorzitter heeft
gelijk: het
stopzetten
van het proefproject is een beslissing van De Lijn. Ik zal dat straks duidelijk
maken.
Het heeft in se niets te maken met het op orde stellen van haar begroting. Ik
hoef daar
geen
mening over te hebben. Het is een operatie die volledig losstaat van de
budgettaire
oefening
die De Lijn op dit ogenblik moet doen. Ik geef eerst wat historische
achtergrond. In 2007
kreeg De Lijn van de toenmalige minister
van
Mobiliteit, Kathleen Van Brempt, de opdracht om van start te gaan met een
proefproject
dat
tot doel had om een nieuw concept van toegankelijk vervoer te testen. Het
proefproject
bestrijkt
11 gemeenten in de regio Mol en Leopoldsburg. Mevrouw Stevens heeft al die
gemeenten
opgesomd. Het is goed voor ogen te houden dat het doel van het proefproject
erin
bestond
om na te gaan of het halte-tot-halteaanbod van De Lijn, volledig kon worden
afgestemd
op het deur-tot-deuraanbod van de plaatselijke DAV’s. De bedoeling was perfect.
Er
was een halte-tot-halteaanbod van De Lijn en een deur-tot-deuraanbod van de
plaatselijke
DAV’s.
Ik zal straks de verschillen tussen die twee uitleggen. Men wilde dat door een
samenwerking
perfect op elkaar afstemmen.
Het
liep eigenlijk al fout vanaf het begin. Toen men bij de opstart begon te
discussiëren over
de
voorwaarden, werd duidelijk dat de DAV’s er niet in wilden participeren. De
Lijn is dan in
juni
2007 zelfstandig gestart. Ik was daar niet bij en heb de discussies niet
meegemaakt, maar
men
heeft nooit samengewerkt.
Ik
wil u wat inzicht geven, want de bedoelingen van dat project vind ik zeer goed.
Alleen
moeten
we nu, een paar jaar later, eens gaan evalueren wat het ons heeft geleerd en
waar we
staan.
Mevrouw Stevens verwijst naar een artikel waarin de communicatieverantwoordelijke
van
De Lijn zegt dat vervoer van gehandicapten of mensen met een beperking, geen
taak van
De
Lijn is. Dat is natuurlijk niet juist. Ik heb die communicatie natuurlijk niet
gedaan, maar
ik
probeer te duiden wat men bedoeld heeft. Men wil het onderscheid maken tussen
het
aanbod
van De Lijn, dat elementair een halte-tot-halteaanbod is.
Daarnaast
zijn er mensen die dat vervoer niet kunnen nemen. Je kunt zelfs onder bepaalde
voorwaarden
een halte voor je deur vragen. Dat zal ik zo dadelijk uitleggen. Als dat niet
volstaat,
krijg je een deur-tot-deuraanbod. Dat betekent dat iemand wordt gevoerd van
zijn
voordeur,
niet naar een halte, maar naar een andere voordeur. Dat is het verschil. De
Lijn
verzorgt
halte-tot-halte. De rest zijn taxibedrijven of DAV’s voor deur-tot-deurvervoer.
Wat
biedt De Lijn aan? Als je openbaar vervoer zegt, en toegankelijk openbaar
vervoer, is dat
nog
geen volledig aangepast vervoer. Openbaar vervoer moet inspelen op collectieve
behoeften,
en dat heeft een aantal beperkingen. Er is een beperking in tijd. Het openbaar
vervoer
hangt af van dienstregelingen. De belbus is wel vraagafhankelijk, maar dat is
met
bepaalde
intervallen, niet op elk moment van de dag. Er is een beperking in de
beschikbaarheid:
er is op de meeste bussen maar één rolstoelplaats. Er is altijd vervoer van
halte
tot halte. Je ziet zo dat het aanbod van De Lijn nooit zal kunnen voldoen aan
alle
vervoersvragen
voor aangepast vervoer.
Als
iemand een rit bij het streek- of stadsvervoer wil reserveren, moet hij kijken
of de op- en
afstapplaatsen
toegankelijk zijn. De Lijn moet daar nog verder werk van maken. Je moet ook
kijken
of het voertuig, de bus of de tram, toegankelijk is en of de rolstoelplaats nog
niet door
iemand
anders is gereserveerd.
Een
belangrijke nuance is dat belbussen steeds toegankelijk zijn, ook zonder een
verhoogd
busperron.
Bijkomend kunnen mensen met een mobiliteitsbeperking die ingeschreven zijn bij
het
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) en die in een
belbusgebied
wonen,
een halte voor de deur aanvragen. Dat betekent dus dat die belbus eigenlijk al
tot aan
uw
deur komt.
Het
opgestarte proefproject valt dus volledig buiten het reguliere aanbod van De
Lijn. Wat ik
zonet
heb gezegd over de belbus en een haltepaal voor de deur, bestaat en mocht
blijven
bestaan,
maar men wou een aangepast vervoer van deur tot deur verzorgen in een
proefproject
in dat gebied Mol-Leopoldsburg. Om daarvan gebruik te kunnen maken, moest
men
voldoen aan een aantal voorwaarden. Men moest een inwoner zijn van het
projectgebied
en
een ernstige mobiliteitsbeperking hebben, en dat kunnen staven met een attest.
De
zelfredzaamheid
moest verminderd zijn met minstens twaalf punten. Er moest een blijvende
invaliditeit
of werkonbekwaamheid zijn van minstens 80 procent, of een
blijvende invaliditeit
van
de onderste ledematen met een beperking van minstens 50 procent of een
amputatie of
volledige
verlamming van de bovenste ledematen. De rit moest ook minstens 48 uur op
voorhand
worden gereserveerd.
Dan
is dat proefproject van start gegaan. We zien dat het aantal mensen dat daarvan
gebruik
heeft
gemaakt, enorm is gestegen. Daarmee kom ik tot de cijfers die de heer Mahassine
heeft
gevraagd.
Ik zal straks de oorzaken daarvan geven. In 2007 maakten 123 personen hiervan
gebruik,
terwijl dat aantal in 2011 is gestegen tot 528 personen. Het daggemiddelde is
gestegen
van 5 gebruikers per dag in 2007 tot 65 gebruikers in 2011. Ik heb ook de
cijfers per
jaar,
maar ik zal die niet beginnen te declameren. Ik wil vragen dat die bij het
verslag zouden
worden
opgenomen (zie bijlage).
In
het proefgebied waren er in 2011 50 gebruikers in Mol, 43 in Balen, 31 in Geel, 28 in
Meerhout,
7 in
Dessel, 44 in
Leopoldsburg, 10 in
Ham, 45 in
Beringen, 18 in
Hechtel-Eksel,
60 in Lommel en 67 in Overpelt. Personen met
een gedeeltelijk verblijf binnen het
pilootprojectgebied
konden ook gebruikmaken van het aanbod. Daarom werd ook aan
personen
buiten die 11 gemeenten uit het proefgebied toelating gegeven. Het ging over 40
mensen
uit Koersel, 25 uit Paal, 23 uit Beverlo, 16 uit Heppen, 6 uit Olmen, 2 uit
Heusden-
Zolder,
Neerpelt en Oostham en 1 uit Dilsen-Stokkem, Genk, Hamont-Achel, Helchteren,
Holsbeek,
Leuven, Lummen, Peer, Retie, Tessenderlo en Turnhout.
Wat
is nu de evaluatie? De vaste gebruikers blijken zeer tevreden te zijn, maar
toch zegt De
Lijn
dat het project in zijn huidige vorm zijn doel totaal voorbijschiet. Ik verwijs
naar wat
mevrouw
Brouwers daarnet ook aanhaalde. Eigenlijk heeft iedereen hier hetzelfde gezegd.
De
eerste en belangrijke reden waarom het project zijn doel voorbijschiet, is het
ontbreken
van
een samenwerking en onderlinge afstemming met de plaatselijke aanbieders van
toegankelijk
vervoer. Die zijn er immers. Er zijn plaatselijke DAV’s, maar men heeft niet
samengewerkt.
Omdat de bestaande DAV’s van Mol en Leopoldsburg niet hebben
meegedaan
aan het project, kon die samenwerking gewoon niet worden uitgetest. Dat
ontbrekende
vervoermanagement had tot gevolg dat er geen doorverwijsmoge1ijkheden
waren.
Het is elementair dat men een onthaalpunt heeft dat doorverwijst naar de juiste
plaats,
dat
bekijkt over welk type van persoon het gaat en wat het juiste vervoer is dat
kan worden
aangeboden.
Ik kom straks terug op de studie van Enter, die hier ook al besproken is.
Misschien
kan de persoon in kwestie de belbus gebruiken. Misschien is het beter hem naar
een
DAV door te verwijzen, of naar het bestaande aanbod van, onder meer, de
ziekenfondsen.
Door
dit alles is De Lijn veel meer verplaatsingen voor haar rekening gaan nemen dan
oorspronkelijk
was voorzien. Het was absoluut niet de bedoeling dat dit zo zou evolueren.
Een
ander probleem was de gebrekkige afbakening van het project, met een te ruime
afbakening
van de vervoersgarantie. Daarom heb ik daarnet al die gemeenten opgesomd.
Aanvankelijk
was men beperkt begonnen, en dat breidde zich langzaam maar zeker uit.
Ook
heeft het aanbod van De Lijn voor de gebruikers een aantal van de bestaande
hiaten
opgevuld.
Dat klopt, maar in dit projectgebied heeft er zich een belangrijke verschuiving
gemanifesteerd.
De Lijn heeft in feite een aanzuigeffect gecreëerd, waardoor bestaande
initiatieven
allemaal zijn geliquideerd. Dat is vrij jammer. Wat er is gebeurd, is vrij
logisch.
Ik
probeer u een inzicht te geven in de cijfers. Er was sprake van een
aantrekkelijk deur-totdeuraanbod
tegen
het tarief van De Lijn. Voor de gebruiker met een mobiliteitsbeperking is
dat
vandaag in de meeste gevallen gewoon gratis. Er was dus sprake van een gratis
vervoer
van
deur tot deur, plus een opstapgeld van 0,5 euro. Heel wat verplaatsingen die
vroeger op
een
andere wijze werden georganiseerd, werden gewoon doorgeschoven naar dat
proefproject.
Ik
geef enkele voorbeelden. Zo zijn 41,7 procent van de verplaatsingen
verplaatsingen van en
naar
de dagcentra en/of de nachtopvang. Voordien werd dat vervoer grotendeels door
de instellingen
zelf georganiseerd, via groepsvervoer. Dat proefproject was er
en men heeft daar
dan
gebruik van gemaakt. Mijnheer Van Dijck, dan is er nog het niet-dringend
zittend
ziekenvervoer,
waarvoor de ziekenfondsen in heel veel regio’s in Vlaanderen over een
aanbod
beschikken. In het proefprojectgebied werd dat vervoer in belangrijke mate
gewoon
doorverwezen
naar De Lijn. Dat behelsde dus 22,8 procent van de verplaatsingen. Wat
vroeger
spontaan werd geregeld, werd dus plots overgenomen door De Lijn. Als gevolg
daarvan
kon die financiële ondersteuning van 450.000 euro die was gepland door mijn
voorgangster,
de kost van dat proefproject steeds minder dragen. In 2011 bedroeg de totale
kost
van het proefproject 1.120.000 euro. Dat was 670.000 euro boven het beschikbare
werkingsbudget.
Ik heb ook een schema over hoe dat budget is geëvolueerd door de jaren.
Dat
zijn kolommen, en die kun je niet voorlezen.
De
totale kost omvat dus zowel de vervoerkosten als de personeelskosten. En nu
komt het
speciale:
het was niet De Lijn zelf die reed, De Lijn heeft vanaf de start van dat
proefproject
het
vervoer uitbesteed aan commerciële vervoeraanbieders, aan taxibedrijven. Je
krijgt dus
een
vervoer van deur tot deur. De Lijn wil een proefproject doen en besteedt dat
vervolgens
uit
aan een taxibedrijf. De situatie is dat het vervoer bijna gratis is, met een
opstaprecht van
een
halve euro. De Lijn moet aan de taximaatschappijen een kost per kilometer
betalen,
zowel
voor een gereden als voor een lege kilometer. Op weekdagen bedroeg die 1 euro,
op
zaterdagen
1,10 euro en op zondagen 1,50 euro. Je ziet onmiddellijk een enorme spanning
tussen
wat De Lijn moest betalen en de return. Daarbij komt dat er ook twee
belbusoperatoren
bij De Lijn in werking waren om de aanvragen in het kader van het
proefproject
te verwerken. En dan was er ook de kleine bijdrage van de reizigers. Zo zie je
dat
die spanning enorm oploopt.
In
2009 is er een onderzoek gebeurd naar de noodzakelijke hefbomen voor het
uittekenen van
een
geïntegreerd, complementair en gebiedsbedekkend toegankelijk vervoersysteem
voor
Vlaanderen
door de vzw Enter. Het was een vrij brede studie. Ik erken wel dat er een
probleem
is met het vervoer van mensen met een beperking. De vraag is hoe we dat vervoer
op de
juiste manier organiseren en hoe we in Vlaanderen kunnen zorgen voor een
gebiedsdekkend
systeem, waar iedereen afhankelijk van zijn beperking naar de juiste
vervoeraanbieder
wordt doorverwezen. In deze commissie zijn we het erover eens dat we
zo’n
systeem moeten kunnen uitwerken.
Een
belangrijk pluspunt van het proefproject is dat we door de nauwgezette
registratie van
wie
waarvan gebruikmaakt een goed inzicht hebben gekregen in het
verplaatsingsgedrag van
personen
met een mobiliteitsbeperking, zowel naar de behoeften van de doelgroep, de
densiteit
van de aanvragen als het soort verplaatsingen. We kunnen dus heel relevante
informatie
uit dat project halen.
In
een eerste luik heb ik geprobeerd de context te schetsen van hoe dat tot stand
is gekomen.
Het
is van in het begin fout gelopen doordat de DAV’s niet mee wilden. Er was
bijvoorbeeld
een
kilometerbeperking en die DAV’s vinden dat niet interessant omdat ze totaal
anders
werken.
Ze wilden zich niet laten opsluiten in de voorwaarden die De Lijn wilde
hanteren. Er
waren
dus al fricties vanaf het begin.
Dan
komen we bij de overgangsmaatregelen. Ik ben samen met jullie bezorgd. Op een
bepaald
moment wordt beslist om iets stop te zetten en dan volgt een wat mij betreft
krakkemikkige
communicatie. Dat is zeker voor verbetering vatbaar. Ik heb geen beslissing
genomen
daarin. De Lijn heeft op een bepaald moment gezegd dat het zo niet verder kan.
Zij
beslissen
zelf om het te reduceren tot waarvoor het eigenlijk was bedoeld. Op die manier
kon
het
voor hen niet doorgaan.
Dan
komen we bij het zinnetje waar de heer Van Dijck naar verwijst: de sociale
verplaatsing.
De
Lijn heeft geopteerd om vanaf 1 maart drie scenario’s te implementeren. Een:
alleen
rolstoelvervoer.
Twee: de maximale afstand van 12,9 kilometer moet voor korte
verplaatsingen
zijn. Drie: de sociale verplaatsingen. De motivatie voor die sociale
verplaatsingen is
omdat veel van die andere verplaatsingen overal in Vlaanderen
door
ziekenfondsen
of andere vormen van aanbod worden gedekt. We moeten dus terug naar de
situatie
zoals die al bestond, want het proefproject was bedoeld om hiaten op te vullen,
maar
niet
om vervoer dat al bestond op te zuigen.
Mijn
en wellicht ook uw logische vraag is: is dat met iedereen allemaal doorgesproken?
Je
hebt
iemand aan iets gewoon gemaakt. Is het overleg op een goede manier gebeurd? In
het
aangepast
deur-tot-deurvervoersaanbod wordt een onderscheid gemaakt tussen het sociaal en
het
niet-dringend zittend ziekenvervoer. In het regulier aanbod van het aangepast
deur-totdeurvervoer
in
Vlaanderen, zoals het buiten het proefproject geldt, wordt het niet-dringend
zittend
ziekenvervoer vaak ingevuld door ziekenfondsen, het Rode Kruis of
samenwerkingsverbanden
zoals bijvoorbeeld Mutas, voorheen EuroCross.
De
beperking van het vervoeraanbod tot het sociale vervoer betekent dat er voor
het nietdringend
zittend
ziekenvervoer, oplossingen moeten worden gezocht die er vroeger waren.
Wat
heeft De Lijn vervolgens gedaan? Op 27 februari 2012 werd in Leopoldsburg samen
met
de
elf betrokken gemeenten een overleg georganiseerd om een toelichting te geven.
Op 8
maart
vond een eerste overleg plaats met alle plaatselijke vervoeraanbieders over het
nieuwe
proefproject.
Blijkbaar waren alle vroegere aanbieders daar aanwezig.
Dat
vecht een beetje voor mij. Men wil beperken vanaf 1 maart en men zit op 8 maart
voor de
eerste
keer samen. Dat is een niet echt handige communicatie. Anderzijds heeft men mij
gemeld
dat men nu verder intens overlegt en dat het absoluut de bedoeling is dat
iedereen met
een
vraag minstens wordt doorverwezen naar iemand die hem kan helpen.
Tot
vandaag verloopt de reservatie van de ritten via de belbuscentrale van De Lijn,
maar ik
ben
niet zo gelukkig met de communicatie. Men verwijst in de mail naar mijn
kabinet. Ik
merk
dat ook vakbonden hetzelfde doen en op de bus briefjes uitdelen waarin staat
dat
Crevits
de bus gaat afschaffen. Het is op dit ogenblik blijkbaar mijn lot. Ik vind dat
er meer
tijd
moest zijn genomen om de gebruikers op de hoogte te brengen.
In
het kader van de vooropgestelde reorganisatie van het aangepast vervoer door
middel van
een
mobiliteitscentrale aangepast vervoer (MAV) wordt door Enter vzw, het Vlaams
Expertisecentrum
Toegankelijkheid, een databank ontwikkeld waarin alle vervoeraanbieders
worden
opgenomen. Deze digitale databank vormt een eerste stap in de
informatieverschaffing
naar de gebruiker en kan de gebruiker leiden naar de meest
aangewezen
vervoeraanbieder. Dit project wordt binnenkort afgerond. Op langere termijn kan
deze
digitale databank dienst doen als werkinstrument voor de mobiliteitscentrales
aangepast
vervoer.
Hierin is ook het aanbod van het niet-dringend zittend ziekenvervoer opgenomen.
Om de
gebruikers tegemoet te komen heb ik aan Enter vzw ook gevraagd om een brochure
op
te
maken met een overzicht van alle vervoeraanbieders in de regio die aangepast
vervoer
verzorgen
voor personen met een mobiele beperking en hierover verdere vragen te
beantwoorden.
Tot op heden zijn bij Enter slechts vier vragen voor een doorverwijzing
binnengekomen.
Dat betekent dat mensen hun weg wel vinden, maar Enter blijft dus
opvolgen.
Deze week werden reeds 200 brochures verzonden.
Wat
nu vanaf de zomer en wat met dat nieuwe project? Op 4 februari 2010 is daar in
deze
commissie
uitgebreid over gedebatteerd. Het huidige vervoeraanbod voor minder mobielen is
versnipperd
en niet-gebiedsdekkend. Er moeten MAV’s komen omdat het doorverwijsluiken
zijn.
Een systeem van aanbod zal er nooit komen, maar er moet een goed
doorverwijssysteem
komen
voor de gevarieerde groep die aangepast vervoer nodig heeft – en dat kan ook de
belbus
zijn. Dat moet snel worden geïmplementeerd.
Enter
heeft aangeraden om eerst een aantal proefprojecten van start te laten gaan. Er
is er een
in de
provincie Vlaams-Brabant, een in de provincie Antwerpen en een in de regio Mol-
Leopoldsburg.
Deze proefprojecten zullen midden dit jaar effectief starten en zullen minstens
de
hele looptijd van het studieonderzoek duren. De verdere studieopdracht en de
begeleiding van
de proefprojecten voor het organisatiemodel zal leiden tot de
implementatie van de
MAV’s
waarbij men een beroep kan doen op één aanspreekpunt.
Vorig
jaar heb ik 1,7 miljoen euro gereserveerd voor de vervoermogelijkheden van
minder
mobielen,
voor de subsidiëring van de DAV’s en de uitvoering van de drie proefprojecten.
Ook
dit jaar is hetzelfde bedrag gereserveerd om die projecten te laten uitvoeren.
Er zal
continuïteit
zijn. Als het proefproject op 1 juli nog niet ‘rijp’ genoeg is om te starten,
dan
wordt
het systeem van De Lijn nog even aangehouden. Men zegt mij dat het klaar zal
zijn. Ik
neem
hier vandaag het engagement dat er geen gat zal zijn. Het zal een gereduceerd
aanbod
zijn
omdat men opnieuw gebruik moet maken van wat er al bestond, maar het ene moet
naadloos
kunnen overgaan in het andere.
Het
project Mol-Leopoldsburg wordt dus bijgestuurd. Voor mij is het belangrijk om
nog deze
legislatuur
een gebiedsdekkend systeem te hebben en om efficiëntie te verwezenlijken in de
vervoersvragen
die mensen hebben.
De
voorzitter: De heer Mahassine heeft het woord.
De
heer Chokri Mahassine: Minister, ik dank u voor uw antwoord.
Heb
ik goed begrepen dat u de mensen goed zult informeren over de verschillende
mogelijkheden
voor aangepast vervoer voor minder mobielen? Wat ik niet goed begrijp, is
wat
de kostprijs is als men doorverwijst. Als men een beroep doet op een
mutualiteit, moet
men
zelf de kosten op zich nemen als het gaat om een niet-dringend vervoer. Hoe zit
het voor
de
andere? Betaalt men het oude, klassieke tarief van voor de proeftuin? Hoe moet
ik dat
inschatten?
Minister
Hilde Crevits: De DAV’s die er waren, hebben een goed aanbod. Ik ken de
afspraken
niet uit het hoofd, maar de DAV’s kunnen dat perfect aan. Wat de tarifering
betreft,
val
je terug op het bestaande systeem. Dat is vrij zwaar gesubsidieerd, maar de
totale kost is
een
pak minder dan het systeem zoals het door De Lijn is opgezet.
De
heer Chokri Mahassine: Het gratisverhaal is dus gedaan.
Minister
Hilde Crevits: Het was nooit de bedoeling van De Lijn om alles wat bestond,
op te
zuigen.
Het is nooit gratis geweest, maar het is er plots gekomen, door de creativiteit
van de
mensen.
De
voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw
Helga Stevens: Minister, ik dank u voor uw erg duidelijke antwoord. Zo
begrijp ik
ook
de achtergrond beter. Een van de problemen was dus dat de DAV al van bij het
begin niet
wou
meewerken. Dat van die onbedoelde neveneffecten wist ik niet. Daar moeten we
zeker
aan
denken. Het is misschien van bij het begin verkeerd aangepakt. Dat is
natuurlijk niet uw
fout,
maar die van uw voorganger. Die kunnen we niet meer op het matje roepen. Maar u
kunt
wel proberen om het recht te trekken. U probeert dat te doen via een nieuw
proefproject.
Het
is erg belangrijk om aan personen met een handicap duidelijk te maken wie wat
doet. Als
rolstoelgebruiker
zie je door de bomen het bos niet meer. Het ene moment moet je dit nemen,
het
andere moment moet je dat nemen, en op nog een ander moment moet je nog iets
anders
nemen.
Heel klantvriendelijk is dat niet. Daarom wil ik vragen om het aspect van het
gebruiksgemak
zeker te bekijken.
Ook
de doorverwijzing moet zo snel en efficiënt mogelijk gebeuren. We moeten
vermijden
dat
personen met een mobiliteitsbeperking, en vooral dan rolstoelgebruikers, van
het kastje
naar
de muur worden gestuurd.
Ik
ben erg blij om van u te horen dat het vervoer van personen met een handicap
wél een
kerntaak
van De Lijn is. Tenslotte is De Lijn een openbaarvervoersbedrijf, en ik vond
het niet
kunnen
dat een woordvoerder van De Lijn zei dat dit geen kerntaak was. Zoiets doet mij
echt
steigeren.
Ik ben blij om van u te horen dat dat een foute uitspraak was. Ik heb er wel
begrip voor
dat personen met een handicap een specifieke aanpak nodig hebben.
Dat moet zo
efficiënt
en kostenefficiënt mogelijk gebeuren.
Mijnheer
Mahassine, personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams
Agentschap
voor Personen met een Handicap krijgen een pasje waarmee ze gratis een beroep
kunnen
doen op het reguliere aanbod van De Lijn. In die zin blijft het aanbod van De
Lijn dus
wel
gratis.
De
discussie over de criteria om te bepalen of een verplaatsing medisch of sociaal
is, kan ik
wel
begrijpen, maar het is vooral belangrijk dat wij ervoor zorgen dat niemand in
de kou
blijft
staan.
Minister
Hilde Crevits: Ik ben het niet eens met de kritiek op mijn voorganger. U
weet dat
ik zo
weinig mogelijk kritiek probeer te geven op mijn voorgangers. Ik vind dat
proefproject
zeer
waardevol. Voor mij mocht dat perfect bestaan. Het is wel De Lijn die het
operationeel
moest
maken. Men wilde dat opstarten, dan wilden de DAV’s niet mee, maar je bent
vertrokken
en op den duur ga je veel breder dan je gedacht had. Maar het is de taak van De
Lijn
om dat uit te voeren. Dat heeft niets meer te maken met politieke
besluitvorming as such.
Mevrouw
Stevens, u legt de vinger op de wonde als u zegt dat personen met een handicap
door
de bomen het bos niet meer zien en niet meer weten waar ze heen moeten. Ze
kunnen
bellen
naar Enter, dat hen correct zal doorverwijzen, maar op termijn zouden de
Mobiliteitscentrales
Aangepast Vervoer zowel digitaal als per telefoon hét luik moeten zijn
om
mensen te helpen. We hebben in Vlaanderen niet één overkoepelende dienst nodig
die
alles
doet voor iedereen, we hebben wel een goede plaats nodig, iemand die het
allemaal weet
en
een doorgeefluik kan zijn. De bestaande creatieve initiatieven mogen wat mij
betreft
blijven
bestaan, maar men moet de mensen naar de juiste plaats doorverwijzen.
U
hebt dan het voorbeeld gegeven dat men met een pasje gebruik kan maken van het
openbaar
vervoer. Sommige mensen zouden perfect geholpen kunnen worden via de belbus,
maar
maken nu gebruikt van de Dienst Aangepast Vervoer. Anderen maken gebruik van de
belbus,
maar zouden beter deur-tot-deur-vervoer hebben.
Ik
heb nog een opmerking over de kerntaak van De Lijn: vervoer van halte tot
halte. Op de
bussen
is er ruimte voor mensen met een beperking. Vervoer van deur tot deur is niet
de
kerntaak
van De Lijn. Dat is de lijn die ik wil trekken. Mensen die nood hebben aan
vervoer
van
deur tot deur, kunnen niet bij De Lijn terecht. Heel veel mensen met een
beperking
kunnen
wel gebruik maken van het openbaar vervoer.
De
voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw
Helga Stevens: Ik ben het volledig eens met u, minister. Ik wil nog iets
toevoegen.
De
Lijn moet blijven investeren in het toegankelijk maken van de bussen, trams en
de
opstapplaatsen.
Dat is nog een pijnpunt. Er zijn in het verleden al inspanningen geleverd,
maar
nog altijd te weinig. Men moet het geluk hebben in een toegankelijke regio te
wonen. Ik
wil u
vragen om die inspanningen voort te zetten, ondanks de besparingen.
De voorzitter: De vragen om uitleg zijn afgehandeld.