Vraag om uitleg aan minister Smet over de tolkuren van dove leerlingen in het regulier onderwijs
Vraag om uitleg van mevrouw Elisabeth Meuleman tot de
heer Pascal Smet, Vlaams
minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en
Brussel, over de veroordeling van de
Vlaamse Gemeenschap voor discriminatie van dove
leerlingen en de gevolgen hiervan
voor de beslissing om het leerzorgkader niet in te
voeren
-
2849
(2010-2011)
Vraag om uitleg van mevrouw Vera Jans tot de heer
Pascal Smet, Vlaams minister van
Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het
arrest van het hof van beroep in
Gent over het tekort aan doventolkuren
-
2853
(2010-2011)
Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens tot de heer
Pascal Smet, Vlaams minister
van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over
de tolkuren van dove leerlingen
in het gewoon onderwijs
-
70 (2011-2012)
De voorzitter:
Mevrouw Meuleman heeft het woord.
Mevrouw Elisabeth Meuleman: Voorzitter, minister, collega's, mijn vraag gaat
over de
veroordeling van de Vlaamse Gemeenschap voor
discriminatie van dove leerlingen.
Opmerkingen over de gevolgen hiervan voor de beslissing
om het leerzorgkader niet in te
voeren, laat ik dus achterwege. Op 14 september 2011
werd de Vlaamse Gemeenschap in
beroep schuldig bevonden voor discriminatie omdat te
weinig tolkuren werden toegekend aan
scholieren met een auditieve beperking. Het aangeboden
pakket tolkenuren voor de
scholieren was onvoldoende groot. Het uitzicht op een
diploma en daarmee ook de kansen
van die leerlingen op de arbeidsmarkt werden daardoor
bezwaard. Bovendien moesten de
leerlingen grote delen van hun schooltijd zonder
communicatie doorbrengen, wat als
kwetsend werd ervaren. De situatie werd door het hof
van beroep opgevat als een weigering
van redelijke aanpassing, en dit is volgens het
Gelijkekansendecreet van 2008 met
discriminatie gelijkgesteld.
De Vlaamse overheid argumenteerde dat niet kon worden
voldaan aan de eis van de ouders
omdat er onvoldoende tolken beschikbaar zouden zijn om
voor alle leerlingen in tolkuren te
voorzien. Het hof oordeelde dat er niet zozeer sprake
is van een tekort aan tolken, maar wel
van een slechte omkadering, waardoor het uitoefenen
van dit beroep wordt bemoeilijkt.
Volgens het hof is het een plicht van de overheid om
de omkadering en het statuut zo aan te
wenden dat de beschikbare tolken aan de vraag kunnen
tegemoetkomen.
In een brief van de minister werd een gelijkaardig
argument gebruikt om het leerzorgkader,
met zijn doorgedreven en uitgewerkt recht op inclusief
onderwijs, nog voor de eindmeet te
doen sneuvelen. Er zou ook daarvoor geen draagvlak in
de onderwijssector bestaan. In 2009
werd het VN-verdrag inzake de rechten van personen met
een handicap geratificeerd. Dat
verdrag draagt de ondertekenende staten op om het
principe van inclusief onderwijs aan te
nemen.
Volgens juristen gebiedt de logica van het recente
arrest van het hof van beroep van Gent te
stellen dat de overheid het draagvlak niet als excuus
mag gebruiken om verplichtingen naast
zich neer te leggen. Het is integendeel de taak van de
overheid om een draagvlak te creëren,
bijvoorbeeld door het herbekijken van het financieringsmodel.
Minister, bent u het eens met de vaststelling dat de
uitspraak van het hof van beroep het recht
op redelijke aanpassing voor het volgen van inclusief
onderwijs ondersteunt en de overheid
aanzet om de gepaste maatregelen te nemen? Ziet u de
tegenstelling tussen deze uitspraak van
het hof van beroep en de beslissing om tot nader order
geen decreet over de leerzorg uit te
vaardigen? Vreest u niet dat de uitspraak van het hof
van beroep een precedent is voor nieuwe discriminatieklachten?
Andere vraagstellers
zullen daar meer specifieke vragen aan
toevoegen.
De voorzitter:
Mevrouw Jans heeft het woord.
Mevrouw Vera Jans: Voorzitter, minister, collega's, ook ik wil een vraag stellen over
het
arrest over het tekort aan doventolkuren van het hof
van beroep van Gent. In Vlaanderen
heeft ongeveer een half miljoen mensen een auditieve
beperking. Ongeveer 6.000 mensen
zijn doof of zwaar slechthorend van bij de geboorte of
kort daarna. Vlaanderen telt
verschillende doveninstituten, met peutergroepen,
basisscholen en opleidingen secundair
onderwijs. De groep kinderen met een auditieve
handicap is zeer klein. Daarom is er in de
dovenscholen weinig keuze aan opleidingen. Deze
scholen leveren ook geen diploma’s af,
waardoor doorstroming naar het hoger onderwijs moeilijk
of onmogelijk is.
Daarom gaan leerlingen met een auditieve beperking
reeds vanaf de basisschool en nog meer
vanaf de secundaire school naar het gewoon onderwijs.
Ze krijgen hierbij ondersteuning van
de dovenschool en van tolken Vlaamse Gebarentaal. Het
aantal doventolkuren waarop deze
leerlingen met een auditieve beperking tijdens de
lesuren een beroep kunnen doen, is echter
beperkt. De Vlaamse overheid wijdt dit aan een tekort
aan tolken.
In maart 2009 eisten vier ouderparen het recht op
toegankelijk inclusief onderwijs voor hun
dove kinderen. Zij dienden een klacht tegen de
minister van Onderwijs in omdat hun
kinderen in de middelbare school te weinig tolkuren
zouden krijgen. Ze beriepen zich hierbij
op het Gelijkekansendecreet. Dit decreet werd in 2008
goedgekeurd en verplicht zowel de
overheid als privépersonen om redelijke aanpassingen
te treffen ten bate van personen met
een handicap.
In juli 2009 werd de Vlaamse Gemeenschap door de
rechtbank van eerste aanleg van Gent
veroordeeld voor discriminatie, wegens de weigering
van redelijke aanpassingen in de vorm
van voldoende tolkuren en een toereikende aanvraag- en
toekenningsprocedure van de
tolkuren. De Vlaamse Gemeenschap ging in beroep tegen
deze veroordeling.
Inmiddels heeft de Vlaamse Regering beslist om, in
afwachting van een invoering van
leerzorg op langere termijn, een aantal dringende
beleidsmaatregelen te nemen ten behoeve
van kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte.
Specifiek voor leerlingen met een
auditieve beperking heeft de Vlaamse Regering beslist
haar engagementen met betrekking tot
doventolkondersteuning, de verhoging van het aantal
tolkuren, de verhoging van het uurloon
en de vervoersonkosten van de tolken, alsook de
vereenvoudiging van de administratieve
procedure, de bemiddeling door het Vlaams
Communicatieassistentiebureau voor Doven
(CAB) en de betrokkenheid van ouders en leerlingen bij
de aanwending van de uren, te
vertalen naar concrete beleidsmaatregelen.
Het hof van beroep van Gent heeft recent geoordeeld
dat de draagkracht van het Vlaamse
onderwijs groot genoeg is om in voldoende tolkuren te
voorzien en heeft de Vlaamse
Gemeenschap veroordeeld tot het verhogen van het
aantal doventolkuren voor drie leerlingen.
De Vlaamse overheid krijgt vijf maanden om ervoor te
zorgen dat de dove leerlingen in
minimaal 70 procent van de lesuren worden bijgestaan
door een tolk, op straffe van 250 euro
per dag per kind. Verder moet de Vlaamse Gemeenschap
de aanvraagprocedure voor
tolkondersteuning aanpassen.
Minister, wat is uw reactie op het arrest van het hof
van beroep in Gent? Welke concrete
maatregelen zult u treffen om tegemoet te komen aan de
verplichtingen die het arrest van het
hof van beroep van Gent oplegt aan de Vlaamse
Gemeenschap? Welke gevolgen heeft dit
arrest voor de verdeling van de tolkenuren? Op welke
termijn zult u uw engagementen met
betrekking tot doventolkondersteuning omzetten naar
concrete beleidsmaatregelen, zoals
beslist werd op de ministerraad van 15 juli
jongstleden? Wat zijn hierbij de budgettaire
implicaties? Voorzitter, het is geheel tegen mijn
gewoonte in, maar het kan zijn dat ik niet aanwezig ben
bij het antwoord van de minister. Dat is enkel te
wijten aan het feit dat een voorstel van
resolutie dat ik heb ingediend, vandaag ter
toelichting voorligt in de commissie Welzijn. Men
zal me laten weten wanneer ik het voorstel van
resolutie moet toelichten. Als ik er niet ben, is
dat enkel om die reden. Dan zal ik zeker het verslag
met de nodige aandacht nalezen.
De voorzitter:
Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Voorzitter, minister, collega’s, ik wil me graag
aansluiten bij de
vraag van mevrouw Jans. Er zijn inderdaad
verschillende dovenscholen. Bijvoorbeeld in de
dovenschool in Brugge en die in Sint-Lambrechts-Woluwe
wordt de afdeling van het
secundair onderwijs gesloten. Heel wat dove kinderen
moeten wel naar het gewone onderwijs
gaan. Dat wil ik meegeven als kader voor dit debat.
Op 7 september 2011 verwierp het hof van beroep van
Gent het beroep dat u namens de
Vlaamse Gemeenschap had ingesteld tegen het vonnis van
de rechtbank van eerste aanleg van
Gent. De Gentse rechter in eerste aanleg had
geoordeeld dat de Vlaamse overheid zich
bezondigde aan discriminatie, ook omdat het Vlaams
decreet op gelijke kansen en gelijke
behandeling van 2008 zowel de publieke als de
privésector verplicht om in redelijke
aanpassingen te voorzien voor personen met een
handicap. Meer specifiek stipuleerde de
rechter dat dove leerlingen gedurende minstens 70
procent van de lestijd recht hebben op
ondersteuning in Vlaamse Gebarentaal.
Het hof van beroep bevestigde dit vonnis en vond
terecht dat de Vlaamse minister van
Onderwijs een voorbeeldfunctie heeft en dat hij wat
kon leren van het Nederlandse systeem
waar al sinds 1990, 100 procent tolkondersteuning
wordt gegeven tijdens de lessen. Het hof
bepaalde bijkomend dat de opgelegde maatregelen
moesten zijn uitgevoerd binnen de vijf
maanden na de betekening van het arrest, op straffe
van een dwangsom.
Daarnaast oordeelde het hof ook dat de Vlaamse
overheid de leerlingen en hun ouders veel
meer moeten betrekken bij de procedure die leidt tot
de bepaling van het aantal tolkuren,
aangezien elke individuele situatie anders is. Ook zou
de huidige procedure te weinig
rekening houden met de minimale vereisten inzake
transparantie, objectiviteit en gelijkheid.
Minister, het zal u ongetwijfeld niet zijn ontgaan dat
dit arrest een grote precedentswaarde
heeft voor veel ouders van dove kinderen en bij
uitbreiding van kinderen met een beperking.
Minister, u zult niet anders kunnen dan het arrest
minstens voor de betrokken dove leerlingen
uit te voeren. Hebt u hiervoor al de nodige stappen
gezet, zo ja welke, en wat is de
budgettaire impact?
Aangezien het fundamenteel oneerlijk is om enkel voor
de hierboven genoemde leerlingen in
minstens 70 procent van de lestijd tolkondersteuning
te voorzien, is het nodig zo snel
mogelijk een globaal plan van aanpak te ontwikkelen
met uitrol op korte termijn om voor alle
dove leerlingen, in het gewoon lager en secundair
leerplichtonderwijs, het hoger onderwijs en
het volwassenenonderwijs minstens in 70 procent van de
lestijd tolkondersteuning te bieden.
We hebben al veel te veel tijd verloren en het is de
hoogste tijd om ook dove leerlingen
gelijkwaardige onderwijskansen te bieden.
Heeft uw administratie reeds een zicht op het totale
aantal leerlingen in het lager en secundair
onderwijs en het totale aantal benodigde tolkuren,
uitgaande van minstens 70 procent van de
lestijd, en het daarbij horende kostenplaatje? Idem
voor het volwassenenonderwijs en het
hoger onderwijs. Werd er reeds overleg gepleegd met de
Beroepsvereniging Vlaamse
Gebarentaal Tolken en het tolkbemiddelingsbureau CAB
om het zogenaamde probleem van
het tekort aan tolken aan te pakken?
Hoe zal de procedure voor de toekenning van het aantal
tolkuren meer transparant worden
gemaakt en meer geobjectiveerd? Hoe zult u hierbij
structureel meer inspraak voor leerlingen en hun ouders organiseren,
zoals
gevraagd door het hof van beroep, zodat er een
wisselwerking tussen ouders of leerlingen en de
administratie mogelijk is?
Hebt u reeds zicht op de toename in overheadkosten van
het CAB die de stijging in tolkuren
onvermijdelijk met zich zal meebrengen?
Het engagement van de Vlaamse Regering – dat ze op
zich heeft genomen na de ministerraad
van 15 juli 2011 –, is zeker een begin. Ik ben heel
nieuwsgierig naar de resultaten en de
concrete uitvoering hiervan. Enkel een engagement tot
inspanning zal niet voldoende zijn
want er is heel wat meer nodig. Ik ben zeer
nieuwsgierig naar uw antwoord.
De voorzitter:
Mevrouw Helsen heeft het woord.
Mevrouw Kathleen Helsen: Voorzitter, minister, collega’s, drie commissieleden
stellen hier
een vraag over een zeer specifiek voorval. Ik ben
vooral bezorgd om de toekomst, want dit is
een eerste voorval waar we mee te maken hebben. Ik
stel me de vraag hoeveel juridische
procedures er nog zullen worden doorlopen met als
resultaat dat de overheid verplicht zal zijn
om op een andere manier te kijken naar mensen met een
beperking en om een ander antwoord
te bieden op de noden die mensen met een beperking
hebben.
Minister, hoe zult u er de volgende jaren mee omgaan?
Ik vrees dat er nieuwe procedures
zullen komen en dat we met verschillende uitspraken
zouden kunnen te maken krijgen. We
zullen er als overheid op in moeten gaan. Het is
misschien belangrijk om er vandaag al bij stil
te staan. Ik ben benieuwd hoe u er als minister
tegenover staat.
De voorzitter:
Mevrouw Deckx heeft het woord.
Mevrouw Kathleen Deckx: Voorzitter, minister, collega’s, ik zou me willen
aansluiten bij
de bekommernissen. Het is belangrijk dat de
gehoorgestoorde kinderen goed onderwijs
krijgen.
Eerlijk gezegd, heb ik geen goed idee waarover we
spreken. Minister, ik weet niet of u er nu
op kunt antwoorden. Over hoeveel kinderen gaat het?
Wat moeten we ons daarbij
voorstellen? Hoeveel uren zijn er nodig? Wat is het
kostenplaatje? Ik merk dat alle collega’s
bereid zijn om middelen uit te trekken.
Is het denkbaar dat gebarentaal in een
lerarenopleiding aan bod komt? Ik kan er me niet echt
een beeld over vormen, maar het zou voor mij wel een
interessante optie kunnen zijn om dat
te overwegen. Uiteraard moeten niet alle mensen
gebarentaal aanleren, maar enkel de
leerkrachten die dit willen. Dit zijn enkele
praktische bedenkingen.
De voorzitter:
Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Voorzitter, nadat ik op de hoogte gesteld ben van het arrest, heb ik
mijn medewerkers onmiddellijk de opdracht gegeven om
een grondige analyse voor te
bereiden van de consequenties ervan.
Het arrest van het hof van beroep te Gent werd nog
niet betekend. Volgens dat arrest begint
de termijn van vijf maanden waarover de Vlaamse
gemeenschap beschikt om een
tolkurenpakket Vlaamse Gebarentaal toe te kennen aan
elk van de eisende partijen van
minimum 70 procent tolkondersteuning op
schooljaarbasis – onder verbeurte van een
dwangsom van 250 euro per dag vertraging –, te lopen
vanaf de betekening van het bestreden
arrest. Ik ben echter niet van plan deze betekening af
te wachten alvorens actie te
ondernemen.
Er is al na de uitspraak van de rechtbank van eerste
aanleg op mijn initiatief een overleg
tussen verschillende beleidsdomeinen opgestart om alle
aspecten van de
doventolkondersteuning te analyseren en concrete
actiepunten te formuleren. Een element
daaruit was het geleidelijk optrekken van het aantal
tolkuren in Onderwijs van 17.680 uren in
2010 tot 22.000 in 2014. Dit heeft ook dit schooljaar al
geleid tot een stijging van het aantal toegekende uren.
Bij de dringende
maatregelen met betrekking tot het onderwijs aan kinderen
met een beperking, is inderdaad opnieuw expliciet naar
deze actiepunten verwezen.
We zijn momenteel volop bezig de impact van het arrest
van het hof van beroep op die te
ondernemen acties bekijken. We gaan daarbij – en dat
wil ik benadrukken – uit van de gehele
potentiële doelgroep en niet alleen van de leerlingen
die nu bij het geding betrokken zijn.
Misschien moeten we wel bekijken of we daarbij
prioriteit geven aan de leerlingen die nog
leerplichtig zijn, en dus aan de leerlingen in het
secundair onderwijs.
Uiteraard zijn er eerste inschattingen van de impact
van dit arrest, ook financieel, maar die
moeten nog verder worden uitgekristalliseerd. Het
blijven op dit moment simulaties.
Bovendien vragen niet alle leerlingen vandaag voor 70
procent van de lestijd ondersteuning.
Is dat omdat zij vinden dat de pot te verdelen uren
toch te beperkt is, of geeft dit hun reële
nood aan ondersteuning weer? Dat is een vraag. We
zullen op korte termijn uitkomsten
bespreken met alle stakeholders, in eerste instantie met
de betrokken partijen uit de
rechtszaak, Fevlado (Federatie van Vlaamse
DovenOrganisaties), de beroepsvereniging
Vlaamse Gebarentaal Tolken en het Vlaams Communicatie
Assistentie Bureau voor Doven
(CAB).
De aanvraag- en toekenningsprocedure was het afgelopen
werkjaar mee voorwerp van de
analyse met de verschillende beleidsdomeinen. Er
werden al een aantal vereenvoudigingen
aangebracht aan de procedure. Ik wil de
inspraakmogelijkheden in de toekomst uitbreiden,
maar we moeten ons er wel van bewust zijn dat meer
maatwerk soms in tegenspraak is met
een eenvoudige, objectieve en transparante
toekenningsprocedure. Ik wil daarom in eerste
instantie met het CAB bekijken hoe we de inspraak bij
de invulling van de uren kunnen
vergroten. Daartoe zullen we de overeenkomst met het
CAB in haar geheel moeten
herbekijken.
Ik heb het CAB ook gevraagd een inschatting te maken
van het potentiële aanbod aan tolken
op de arbeidsmarkt. In de vragen en in het arrest van
het hof wordt verwezen naar de situatie
in Nederland. Volgens de informatie waarover ik
beschik, blijkt ook in Nederland een groot
tekort aan tolken, waardoor de beloofde 100 procent
ondersteuning in de praktijk vaak dode
letter blijft bij gebrek aan invulling.
Het arrest van het Hof van Beroep is mede gebaseerd op
artikel 19 van het decreet van 10 juli
2008 houdende een kader voor het Vlaamse
gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid. Er
zullen in de toekomst altijd arresten en uitspraken
van rechtbanken zijn. De dag dat dit
parlement het verdrag heeft geratificeerd, was de dag
dat u die weg naar de rechtbank hebt
geopend, al dan niet met een decreet voor leerzorg.
Elke regeling die wordt gemaakt, zal
altijd het voorwerp uitmaken van gerechtelijke
uitspraken. Er is mogelijkerwijze wel een
precedentswaarde, dat wil ik niet ontkennen. Ik wil er
echter op wijzen dat er rechters zijn die
een andere beslissing hebben genomen. Bovendien heeft
de rechter in de recente uitspraak
ook duidelijk rekening gehouden met de specifieke
context van de doven in ons onderwijs, en
kan de uitspraak dus niet zomaar toegepast worden op
andere groepen. In het kader van het
debat over de leerzorg zullen we hoe dan ook
maatregelen nemen, ook inzake de
omschrijving van redelijke aanpassingen binnen het
onderwijs.
Of men nu al dan niet een decretaal kader uitwerkt, in
beide gevallen zullen er altijd rechters
aan te pas komen. Dat is ons lot voor de komende
jaren.
De voorzitter:
Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Minister, ik ben teleurgesteld dat uw antwoord zo
nietszeggend is.
Ik heb zelf ook mijn huiswerk gemaakt op basis van de
gekende cijfers. Daar wil ik echter
niet over doorgaan want cijfers zijn natuurlijk
cijfers waarover men kan blijven discussiëren.
Toch wil ik een aantal punten vermelden. Wij zaten
inderdaad te wachten op een
vereenvoudigde procedure. Wat de inspraak betreft,
hebt u het over meer maatwerk, wat betekent dat de procedures iets complexer
kunnen worden.
Dat hangt van uzelf af. Als u
uitgaat van een redelijke aanpassing, zeker voor dove
en slechthorende leerlingen, dan
moeten zij het onderwijs volledig kunnen volgen. We
gaan uit van 100 procent
ondersteuning. Dat geldt in principe voor iedereen. In
dat geval is het heel eenvoudig. Als u
het dan moeilijk wilt maken, dan doet u dat maar. Dat
is uw verantwoordelijkheid.
In Nederland, Zweden, Denemarken en in de Verenigde
Staten krijgen deze leerlingen al
jaren 100 procent ondersteuning aangeboden. Ik was in
1987 uitwisselingsstudent in de VS,
en toen al kregen dove leerlingen 100 procent
tolkenondersteuning. Hier gaan we nog even
discussiëren over de vraag of kinderen 70 of 100
procent moeten aanvragen. Dat is echter niet
de vraag. Die kinderen kunnen slechts vragen wat ze
krijgen. Dat is beperkt omdat ze weten
dat ze toch niet meer kunnen krijgen. Dat is de
realiteit. We moeten de fout niet bij hen
leggen want dan word ik een beetje kwaad. U kunt dan
zeggen dat sommigen niet zo veel
vragen, dat 70 procent misschien overdreven is. Dit
dateert van de periode met toenmalig
minister Vanderpoorten. We moeten echter ernstig
blijven. Als minister moet u vooruitzien
en plannen.
Ik wil het ook hebben over het tolkentekort. In
Nederland is er 100 procent ondersteuning in
het basisonderwijs, het secundair onderwijs en het
universitair onderwijs. Ik wil graag weten
hoeveel tolken daar bezig zijn er dan de vergelijking
maken met Vlaanderen. Als we dan toch
over cijfers bezig zijn, kunnen we die ook eens op
tafel gooien. Dan weten we pas wat er
precies te vergelijken valt.
U hebt geen beroep aangetekend tegen het vonnis van de
rechter in Leuven. Het was wel een
positieve beslissing, maar dan iets genuanceerder. In
Gent was er heel duidelijk een positieve
beslissing. Dat is selectief beroep aantekenen, en
daar houd ik niet van. De overheid moet
objectief en neutraal zijn. Ik kijk met veel
nieuwsgierigheid uit naar de concrete maatregelen.
Er moet een uitbreiding komen naar alle dove kinderen
zodat zij van een gelijkwaardig
onderwijs kunnen genieten. Door de jaren heen zijn we
heel veel talenten kwijtgespeeld, en
dat betreur ik ten zeerste.
Mevrouw Kathleen Helsen: U zegt dat de burgers de vrijheid hebben om naar de
rechtbank
te stappen. Het is wel zo dat mensen dat niet zullen
doen indien zij vinden dat zij rechtvaardig
worden behandeld. Het is dus de vraag of wij het recht
op onderwijs en de gelijke kansen n
het onderwijs garanderen. Krijgen alle kinderen
gelijke kansen? Als wij daarin slagen of dat
ideaal benaderen, dan wordt de kans kleiner dat mensen
naar de rechtbank stappen.
Mevrouw Kathleen Deckx: Emoties spelen in dit dossier mee, en dat is
terecht. Wij vragen
allemaal dat de kinderen zo veel mogelijk worden
ondersteund. Ik vrees wel dat dit nogal wat
financiële middelen vergt. Is de Vlaamse Regering
bereid om het nodige geld vrij te maken?
De Vlaamse Regering heeft daarvoor alleszins mijn
steun.
Minister Pascal Smet: Ik wil nog drie zaken zeggen. Mevrouw Stevens moet mijn antwoord
eens lezen, misschien heb ik wat snel gepraat waardoor
nuances verloren zijn gegaan.
Mevrouw Helga Stevens: Dat is helemaal niet het geval. U hebt niets gezegd.
Minister Pascal Smet: Ik wil u vragen mijn antwoord goed te lezen en ook eens met andere
mensen hierover te praten – met mensen die u
dierbaarder zijn dan ik dat ben. Voorts is het zo
dat wij het arrest en de gevolgen ervan analyseren.
Ook de financiële gevolgen voor de
Vlaamse Regering bekijken wij. Wij overleggen met
Fevlado, het CAB en de betrokkenen
om na te gaan hoe wij aan de verzuchtingen kunnen
tegemoetkomen. Als u mij morgen kunt
garanderen dat er nieuw geld is gevonden voor deze
dure operatie, dan kan dat voor mij. De
meerderheid heeft afgesproken dat wij een antwoord
moeten bieden aan de betrokkenen,
maar ook dat wij dat moeten doen met respect voor onze
financiële mogelijkheden. Ik houd
mij in elk geval aan de afspraak. Ik wil er nogmaals
de aandacht op vestigen dat wij al maatregelen hebben genomen: de uren
zijn opgetrokken van 17.000 naar 22.000. Dat is niet
niks, en kost veel geld. Bovendien is er
een probleem van beschikbaarheid van tolken. Wij
moeten de situatie goed bekijken, en niet
zomaar vergelijken met andere landen. Zo kunnen er
over de vergelijking van de kwaliteit
van het onderwijs bij ons en elders dikke boeken
worden geschreven. Wij moeten voorzichtig
omspringen met vergelijkingen in rechte en
vergelijkingen in feite, en ook goed nagaan wat
dat in de praktijk betekent. Ten slotte bevestig ik de
verbintenis dat wij een redelijke
oplossing proberen te vinden, met respect voor de
afspraken die de meerderheid heeft
gemaakt. Mevrouw Stevens raad ik aan om alle letters
van mijn antwoord te lezen, want ik
heb niet de gewoonte om nietszeggende antwoorden te
geven.
Mevrouw Helga Stevens: Ik ben blij dat de uren zijn opgetrokken van 17.000
naar 22.000.
Maar het blijft peanuts. Ik berekende zelf dat er nood
is aan 80.000 tolkuren om helemaal aan
de vraag te voldoen. Wij zullen dus aan een vierde van
de behoeften voldoen. U zet een stap,
dat is wel juist. Ik neem akte van wat u zegt. Is het
onderwijs in Nederland, Denemarken en
Finland dan minderwaardig? Die mensen zullen heel blij
zijn om dat te vernemen.
Wat wij vandaag investeren in onderwijs winnen wij
later terug, want dan moeten wij minder
uitkeringen, bijscholingen en dergelijke betalen. Dat
is de keuze: op lange termijn denken of
op korte termijn denken.
Mevrouw Elisabeth Meuleman: U zegt weleens dat wij niet goed luisteren en uw
woorden
niet goed interpreteren, maar soms doet u uitspraken
die echt voor verschillende interpretaties
vatbaar zijn. U stelde dat op de dag dat het Vlaams
Parlement het VN-verdrag heeft
geratificeerd, het Vlaams Parlement de weg naar de
rechtbank heeft geopend.
Minister Pascal Smet: Dat is toch gewoon een vaststelling? Wanneer het Vlaams Parlement
een recht toekent dat voordien niet bestond, dan is
het toch logisch dat burgers vinden dat zij
daarop aanspraak kunnen maken en naar de rechtbank
kunnen stappen? Dat heeft niets met
rechtvaardigheid te maken. U kunt nu opnieuw
gechoqueerd zijn, maar dat heeft er ook mee
te maken dat te veel juristen op zoek zijn naar werk.
Hoe meer juristen, hoe meer
rechtszaken. Dat is een vaststelling. Onze samenleving
is volop aan het ‘juridiseren’, ook in
de onderwijssector.
Ik heb niet gezegd dat ik dat verkeerd vind. Ik zei
dat omdat u de indruk wekte dat het arrest
het volg is van het feit dat er geen leerzorgkader is.
Wij zullen een wettelijk kader creëren
over de redelijke aanpassing, in het raamwerk van de
22 maatregelen in Audit 22. Maar er
zullen altijd mensen zijn die vinden dat zij niet
krijgen waar zij recht op hebben en naar de
rechtbank stappen. De dag dat u dat verdrag hebt
geratificeerd, is de dag dat u dat recht hebt
gecreëerd. Ik zei niets meer of niets minder. Dat is
iets dat een eerstejaarsstudent rechten
begrijpt.
Mevrouw Elisabeth Meuleman: U hebt wel een invloed op het aantal burgers dat die
stap
zet.
Minister Pascal Smet: Wij zullen een kader scheppen, dankzij Audit 22. Hebt u gelezen wat
wij in het kader van de leerzorg zullen doen? Wij
zullen het concept ‘redelijke aanpassingen’
omschrijven.
Mevrouw Elisabeth Meuleman: Voor u mij onderbrak, wou ik mijn redenering
afmaken.
Die omschrijving van ‘redelijke aanpassingen’ zal
cruciaal zijn. Wij moeten af van de idee
van draagkracht, en opschuiven naar redelijke
aanpassingen. Dat is wat in het VN-verdrag
ook staat. Maar wat hebt u gedaan? U hebt het
Leerzorgdecreet in de koelkast gestopt omdat
er onvoldoende draagkracht voor is.
Minister Pascal Smet: U begrijpt het niet. In deze Vlaamse Regering is afgesproken dat wij
met Audit 22 het begrip ‘redelijke aanpassingen’
zullen proberen te omschrijven. Noteer
evenwel dat het er niet toe doet of er een decreet
Leerzorg is of dat die omschrijving in Audit 22 er is: mensen zullen altijd
naar de rechtbank stappen.
Zoals de voorzitter hier al zei – hij is
professor rechten, ik heb rechten gestudeerd –: de
essentie van ons rechtssysteem bestaat erin
dat op het moment dat een recht wordt gecreëerd,
mensen worden uitgenodigd om naar de
rechtbank te stappen. U hebt gelijk wanneer u zegt dat
een kader kan helpen om die beweging
te stroomlijnen. Maar ook dan zijn er altijd rechters
die vinden dat zij het beter weten dan de
wetgevende macht. Op basis van dat VN-verdrag zullen
in de komende maanden en jaren
mensen naar de rechtbank stappen.
Mevrouw Elisabeth Meuleman: U kunt wel kiezen: de deur wagenwijd openzetten of
ze op
een kier duwen.
Minister Pascal Smet: Dat doen wij in Audit 22! Weet u wanneer dat wordt goedgekeurd?
Mevrouw Helga Stevens: Sorry, mensen stappen niet enkel op basis van het
VN-verdrag
naar de rechter, maar ook op basis van het Gelijkekansendecreet.
Het Vlaams Parlement heeft
dat zelf in 2008 goedgekeurd. De ratificatie van het
VN-verdrag is belangrijk, want het vormt
een morele leidraad. Maar ik kan het niet genoeg
herhalen: op basis van het
Gelijkekansendecreet heeft het hof van beroep een
vonnis geveld. Dat is toch duidelijk?
Ik herinner mij nog zeer goed dat in de commissie
Gelijke Kansen aan toenmalig minister
Van Brempt is gezegd dat het decreet gevolgen zou
hebben voor het onderwijs. Zij
antwoordde toen dat dit te gelegener tijd zou worden
opgelost. Wel, wij zijn nu zover. Het is
een voorbeeld van slecht bestuur wanneer men niet
vooruitkijkt.
De voorzitter: Het incident is gesloten.