Parlementaire vraag over de evaluatie van de maatregelen inzake pesterijen op het werk (Senaat)

Vraag nr. 4-6650 d.d. 29 januari 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Op basis van een concrete casus die mij werd voorgelegd wil ik graag volgende vraag formuleren.

Het tegengaan van pesterijen op het werk is een noodzakelijke, maar veelal niet evidente doelstelling. De nodige regelgeving om pesterijen tegen te gaan werd opgesteld, maar belangrijk is ook om na te gaan in hoeverre dit in de praktijk werkt.

De concrete casus die mij werd voorgelegd, betreft een probleem binnen de onderwijswereld. Daar zouden volgens mijn informatie in eerste instantie de werkgever zelf, daarna de preventieadviseur en daarna de Inspectie " toezicht over het welzijn op het werk " zich over de zaak moeten buigen.

Uit het relaas van betrokkene blijkt dit echter geen evidentie. Zo zou in casu de interne preventieadviseur binnen de betrokken onderwijsinstelling zowat pro forma zijn aangesteld. Erger is dat ook de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk zich over de zaak moet buigen waardoor betrokkene zich niet tot de Inspectie kon wenden. Enkel de werkgever van betrokkene zou bevoegd zijn en niet de onderwijsinspectie.

Op die manier is men onmiddellijk genoodzaakt om zelf naar de arbeidsauditeur te stappen.

Ik begrijp dat u moeilijk kan ingaan op het concreet geval dat mij werd voorgelegd. Toch kreeg ik graag een antwoord op volgende vragen.

1. Gebeurde er al een evaluatie van de preventiemaatregelen en van de werking van de verschillende instanties tegen geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk (enerzijds algemeen, anderzijds specifiek binnen het onderwijs)?

2. Heeft de geachte minister zicht op het aantal gevallen waarbij een beroep wordt gedaan op de interne en externe psychosociale preventieadviseurs en op de Inspectie toezicht welzijn op het werk naar aanleiding van pestgedrag of, ruimer, geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag (enerzijds algemeen, anderzijds specifiek binnen het onderwijs)?

3. Zijn er naast de interne en externe preventieadviseurs en naast de Inspectie toezicht welzijn op het werk andere instanties waartoe men zich binnen de onderwijssector kan wenden?

4. Dienen de preventie-adviezen aan alle partijen bezorgd te worden? In welke gevallen is dat niet zo?

5. a) Hoeveel burgerrechtelijke en strafrechtelijke procedures werden de laatste vijf jaar (graag overzicht per jaar) opgestart rond pesterijen op het werk binnen het onderwijs?

b) Wat was het resultaat van deze rechtszaken?

c) In hoeveel gevallen werd de zaak door de Inspectie toezicht welzijn op het werk zelf opgestart?

6. Wat wil de minister doen om het pesten op het werk (algemeen en specifiek binnen het onderwijs) beter te voorkomen?

Antwoord ontvangen op 19 april 2010 :

Gelieve hieronder het antwoord te vinden op de door u gestelde vragen.

De werkgever is de enige persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de werknemers : hij moet de maatregelen treffen om een einde te maken aan feiten van geweld en pesterijen. De preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk onderzoekt de klacht van de werknemer en geeft een advies dat voorstellen van maatregelen bevat. Hij heeft dus een adviserende rol ten aanzien van de werkgever. De inspectie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk, waarvan de rol werd verduidelijkt bij de wetswijzigingen van 2007, komt a posteriori tussen in de hypothese waarin de feiten voortduren omdat de werkgever geen maatregelen neemt of maatregelen neemt die ongeschikt zijn. De rol van de inspectie bestaat er in te controleren of de werkgever zijn wettelijke verplichtingen nakomt. Het is dus niet haar taak om zelf de met redenen omklede klacht te behandelen. Daarentegen heeft ze wel de bevoegdheid om maatregelen op te leggen aan de werkgever en om, in geval van een overtreding, een proces-verbaal op te stellen dat ze overmaakt aan de arbeidsauditeur. Bovendien kan de werknemer steeds beroep doen op de inspectie wanneer hij van oordeel is dat de preventieadviseur fouten maakt bij het uitvoeren van zijn opdrachten.

Gezien de moeilijkheid en de specificiteit van de taak, vertrouwt de wetgeving de behandeling van de met redenen omklede klacht enkel toe aan de preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk aan wie wettelijke eisen worden gesteld op het gebied van diploma en opleiding. De wetgeving kent op dit gebied aan de preventieadviseur belast met de veiligheid op het werk die deel uitmaakt van de onderneming geen enkele specifieke rol toe. In de meeste ondernemingen maakt de preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten op het werk deel uit van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de werkgever is aangesloten, maar hij kan ook deel uitmaken van de interne dienst.

Wanneer andere instanties binnen de onderwijssector een bevoegdheid hebben om tussen te komen bij het oplossen van relationele problemen, mogen ze volgens mij geen met redenen omklede klachten onderzoeken omdat specifieke wetgeving deze taak aan een deskundige toewijst. Evenwel beoogt de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers niet de tussenkomst van personen die het oplossen van problemen bevorderen, uit te sluiten. Het gaat er dus om te analyseren hoe deze instanties hun functie kunnen uitoefenen naast de actoren van de interne procedure (de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur) en de rol te verduidelijken van de verschillende actoren ten aanzien van de werknemers.

Met betrekking tot de evaluatie van de wetgeving, moet ik er op wijzen dat de wetten van 10 januari 2007 en 6 februari 2007 de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers hebben gewijzigd wat betreft de bepalingen inzake de bescherming tegen geweld en pesterijen op het werk. Het koninklijk besluit van 11 juli 2002 dat betrekking had op deze bescherming werd vervangen door het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk. Aangezien de nieuwe wetsbepaling de verplichtingen van de werkgever verduidelijkt inzake de voorkoming van alle arbeidsituaties die psychosociale belasting veroorzaken zoals stress en onrechtmatige gedragingen, leek het me nuttig om de effectiviteit ervan te evalueren.

Daarom werd, in het kader van de nationale strategie inzake welzijn op het werk 2008-2012, een onderzoeksproject inzake de evaluatie van de wijzigingen aangebracht in 2007, opgestart op 15 december jongstleden. Dit project van een jaar wordt geleid door ISW Limits, een spin off van de KUL en de UCL in samenwerking met de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Dit onderzoek zal bestaan uit een kwantitatieve enquête (in de vorm van vragenlijsten verstuurd per mail) en een kwalitatieve enquête (in de vorm van groepsdiscussies). Alle betrokken actoren (werkgevers, werknemersvertegenwoordigers, preventieadviseurs, vertrouwenspersonen, auditeurs, rechters, advocaten) worden geraadpleegd om te analyseren of de wettelijke regeling zoals gewijzigd in 2007, een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van een preventiebeleid en een verbetering van de preventie en bestrijding van onrechtmatige gedragingen in de bedrijven. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, die u zullen worden meegedeeld, zullen wij analyseren welke acties moeten worden ondernomen op het vlak van promotie of wetswijziging, om de preventie in de bedrijven te verbeteren.

Statistische gegevens zullen in dit kader worden verzameld, zowel bij de preventiediensten, als bij de auditoraten en de inspectiediensten.

Ik kan u evenwel reeds de volgende gegevens meedelen met betrekking tot het onderwijs:

Van 2003 tot 17 augustus 2009 werden 306 beslissingen genomen door de arbeidsrechtbanken waarvan 30 betrekking hadden op het onderwijs. Dit stemt overeen met ongeveer 10 %. Drie eisers werden in het gelijk gesteld: in twee zaken heeft de rechter aan de dader het bevel opgelegd om de feiten stop te zetten en in de andere zaak heeft de werknemer een schadevergoeding gekregen van 4 810 euro.

Uit de statistische gegevens van de inspectie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk blijkt dat 6 % van de geregistreerde klachten in 2005 betrekking had op de onderwijssector, 13 % in 2006, 5 % in 2007, 8 % in 2008 en 6 % in 2009.

Wat uw vraag over het meedelen van het advies van de preventieadviseur betreft, voorziet de wetgeving twee hypothesen waarbij het verslag moet worden overgemaakt:

Het verslag wordt door de werkgever overgemaakt aan de werknemer voor wie hij voornemens is maatregelen te nemen en die zijn arbeidsomstandigheden zouden kunnen wijzigen. Dat laat de werknemer toe om elementen ter verdediging aan te brengen bij het voorafgaand onderhoud dat de werkgever met hem moet hebben alvorens deze maatregelen te nemen.

Het verslag wordt ook overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die van plan is juridische stappen te ondernemen, om hem toe te laten zijn slaagkans voor de rechtbank te evalueren.

In de beide gevallen gaat het om een gedeeltelijke communicatie aangezien de voorstellen voor preventiemaatregelen in de onderneming in zijn geheel, die niet specifiek bijdragen tot een oplossing in het individuele geval, niet worden meegedeeld aan de werknemer.

In de andere gevallen wordt het verslag niet overhandigd omdat het vooral de bedoeling is de werkgever te adviseren omtrent de te nemen maatregelen en omdat het verslag gevoelige en vertrouwelijke gegevens bevat die, wanneer ze aan alle partijen zouden worden meegedeeld, de situatie zouden kunnen verergeren. Om de transparantie te waarborgen en de procedure officieel te beëindigen, is het evenwel aangewezen dat de werkgever de beide partijen informeert over de uiteindelijke beslissing.